ECLI:NL:PHR:2014:1917
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing aandelenfusiefaciliteit bij driehoeksfusie met Amerikaanse vennootschap
Belanghebbende had in 2000 aandelen in [C] BV verkocht zonder deze tot een aanmerkelijk belang te rekenen en zonder vervreemdingsvoordeel aan te geven. De Inspecteur nam het vervreemdingsvoordeel als winst uit aanmerkelijk belang in aanmerking en legde een navorderingsaanslag op. Na eerdere uitspraken van de Hoge Raad en het Hof Amsterdam werd niet langer betwist dat sprake was van een aanmerkelijk belang. Het Hof oordeelde dat de aandelenfusiefaciliteit niet van toepassing was en stelde de vervreemdingsdatum vast op 29 mei 2000.
Belanghebbende stelde in cassatie dat het Hof ten onrechte oordeelde dat geen sprake was van een aandelenfusie in de zin van artikel 20f in verbinding met artikel 14b Wet IB 1964. De Procureur-Generaal wees erop dat de wet vereist dat de overnemende vennootschap eigen aandelen uitreikt, terwijl in dit geval aandelen in de moedervennootschap werden uitgereikt, hetgeen niet onder de aandelenfusiefaciliteit valt. Het arrest van de Hoge Raad uit 1990 werd aangehaald ter onderbouwing dat de regeling niet bedoeld is voor situaties waarin persoonlijke houdstermaatschappijen betrokken zijn zonder dat dit noodzakelijk is voor het vormen van een grotere economische eenheid.
De conclusie van de Procureur-Generaal was dat de aandelenfusiefaciliteit niet van toepassing is op driehoeksfusies zoals in deze zaak en dat dit niet in strijd is met het vrij verkeer van kapitaal of de vrijheid van vestiging binnen de EU. Ook het pleidooi voor redelijke wetstoepassing werd verworpen. Uiteindelijk werd het beroep in cassatie ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aandelenfusiefaciliteit wordt niet toegepast op de driehoeksfusie.