Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
4.Beslissing
5 juni 2015.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of een gedaagde die bij verstek is veroordeeld in een vonnis dat als vonnis op tegenspraak wordt beschouwd, ontvankelijk kan zijn in hoger beroep ondanks het verstrijken van de reguliere beroepstermijn.
De rechtbank Almelo had op 17 oktober 2007 een vonnis gewezen waarin de eiser werd veroordeeld. De eiser was niet verschenen en verstek verleend. Het hof Arnhem-Leeuwarden verklaarde het hoger beroep van eiser niet-ontvankelijk omdat de beroepstermijn was verstreken. De eiser stelde echter dat hij pas na het verstrijken van de termijn op de hoogte was gesteld van het vonnis, en binnen veertien dagen daarna hoger beroep had ingesteld.
De Hoge Raad overwoog dat in een dergelijk geval, waarin de dagvaarding niet persoonlijk is betekend en de veroordeelde pas na het verstrijken van de beroepstermijn van het vonnis kennis neemt, de niet-ontvankelijkverklaring achterwege moet blijven als het hoger beroep binnen veertien dagen na kennisneming is ingesteld. Het hof had de eiser niet in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten, waardoor het arrest werd vernietigd en de zaak werd terugverwezen voor verdere behandeling.
De Hoge Raad reserveerde de beslissing over de kosten van het cassatiegeding en begrootte de kosten aan de zijde van eiser op € 495,95 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest en verwijst zaak terug vanwege onjuiste niet-ontvankelijkverklaring bij termijnoverschrijding hoger beroep.