Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
9 juni 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd vrijgesproken van mensenhandel. Verdachte werd ervan beschuldigd dat hij tussen augustus en oktober 2009 betrokken was bij het werven, vervoeren en uitbuiten van een prostituee door middel van geweld, misleiding en misbruik van een kwetsbare positie.
Het hof oordeelde dat verdachte een zakelijke relatie had met de prostituees, waaronder het slachtoffer, en dat er geen aanwijzingen waren dat verdachte druk uitoefende of misbruik maakte van hun situatie. Ook werd benadrukt dat prostitutie en het exploiteren van een seksinrichting in Nederland niet verboden zijn. Het hof vond dat het enkele feit dat het slachtoffer een verstandelijke beperking had, drugs gebruikte of schulden had, niet automatisch duidde op strafbare uitbuiting.
De Hoge Raad bevestigde dat het hof terecht heeft geoordeeld dat voor een bewezenverklaring van mensenhandel zowel misbruik of uitbuiting als (voorwaardelijk) opzet daarop moet zijn vastgesteld. De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende en juiste motieven had gegeven voor de vrijspraak en dat cassatie niet kan leiden tot een andere bewijswaardering.
Het beroep van de Advocaat-Generaal werd verworpen en de vrijspraak van verdachte bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijspraak van verdachte wegens ontbreken van bewijs voor misbruik en (voorwaardelijk) opzet op mensenhandel.