Conclusie
middelbehelst de klacht dat het Hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de ongeoorloofde middelen “misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht” en/of “misbruik van een kwetsbare positie” dan wel dat zijn oordeel daaromtrent niet zonder meer begrijpelijk is, nu de verdachte op de hoogte was van het drugsgebruik en de verstandelijke beperking bij [het slachtoffer] en van het feit dat het door haar verdiende geld werd afgestaan aan een ander.
Vrijspraak
het gevolg moet zijnvan de feiten en omstandigheden zoals schulden, verslaving, geestelijke beperking e.d. [4] Ik vervolg. Ten eerste dan het beweerde harddrugsgebruik van [het slachtoffer]. Daarover heeft het Hof opgemerkt dat de verdachte wist, althans het ernstige vermoeden had, dat zij af en toe harddrugs gebruikte. Zoals het Hof niet onbegrijpelijk heeft overwogen is dat in de wereld van de prostitutie geen uniek verschijnsel, daarbuiten trouwens ook niet. Dat is, zo meen ik te mogen aannemen, inmiddels een algemeen bekend feit. Dat neemt evenwel niet weg dat het wat [het slachtoffer] betreft om niet meer dan vermoedens gaat. Althans, niet is door het Hof vastgesteld dát [het slachtoffer] hard drugs gebruikt en al helemaal niet dat zij daaraan verslaafd zou zijn. En nergens blijkt uit dat zij zich zou hebben moeten prostitueren om zich in een drugsverslaving te (kunnen) voorzien. Overigens is zulks door de Advocaat-Generaal bij het Hof niet aangevoerd. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 april 2013 heeft de Advocaat-Generaal slechts gezegd: “Hij (de verdachte, EH) wist dat ze drugs gebruikte”. Evenmin is (omgekeerd) vastgesteld dat het (mogelijke) incidentele gebruik van verdovende middelen van [het slachtoffer] werk-gerelateerd was, dus te maken had met haar werkzaamheden als prostituee. Ten tweede: de beperking van de verstandelijke vermogens van [het slachtoffer]. In dat verband heeft het Hof overwogen dat de verdachte soms het idee had dat haar verstandelijke vermogens beperkt waren. Maar of dat zo is en hoe ernstig de beperkingen dan wel waren, en welke concrete voorvallen dat vermoeden bij de verdachte hebben opgeroepen, staat in het geheel niet vast. Verder is het Hof ingegaan op het feit dat de verdachte wist dat [het slachtoffer] een deel van haar verdiende geld afstond. Dat gegeven brengt evenwel nog niet mee dat op de verdachte een onderzoeksplicht rustte met betrekking tot de plausibiliteit van de verklaring van [het slachtoffer] voor het afgeven van de gelden en de vraag, die dan natuurlijk nog wel bij de verdachte had moeten opkomen, of het afstaan van die gelden mogelijk niet onder dwang geschiedde, om zodoende het verwijt te kunnen pareren dat hij (voorwaardelijk) opzet op misbruik zou hebben. In verband daarmee wijs ik erop dat het Hof heeft overwogen (i) dat toen de verdachte er achter kwam dat het niet goed zat met de spaarregeling van [het slachtoffer] en zij haar geld niet kreeg, hij zijn medeverdachte daarop heeft aangesproken, (ii) dat vanuit het perspectief van de verdachte hij met [het slachtoffer] een zakelijke verbintenis was aangegaan die overeenkwam met hetgeen hij met de andere meisjes afsprak, te weten een derde voor het meisje, een derde voor de belastingdienst en een derde voor het bedrijf van de verdachte en (iii) dat er geen aanwijzingen zijn gevonden dat de verdachte het belastinggeld niet heeft afgedragen.