ECLI:NL:HR:2015:1734

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 juni 2015
Publicatiedatum
25 juni 2015
Zaaknummer
14/01456
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 7:220 BWArt. 7:274 lid 1 onder c BW
Verwijzingen
5 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing vordering ontbinding huur wegens dringend eigen gebruik renovatie

In deze zaak vorderde eiseres ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van woonruimte wegens dringend eigen gebruik met het oog op renovatie. De feiten en eerdere vonnissen van de kantonrechter en het arrest van het hof Amsterdam vormden de basis van het geding.

Eiseres stelde dat de kosten van de renovatie in een structurele wanverhouding stonden tot de opbrengsten, en verwees naar de verhouding tussen artikel 7:220 en Pro artikel 7:274 lid 1 onder Pro c BW. Het hof verwierp de vordering en oordeelde dat de gestelde wanverhouding onvoldoende was om tot ontbinding over te gaan.

In cassatie stelde eiseres meerdere klachten aan de orde, maar de Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81 lid 1 RO Pro was geen nadere motivering vereist omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Het beroep werd verworpen en eiseres werd veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseres wordt verworpen en de vordering tot ontbinding en ontruiming wordt afgewezen.

Uitspraak

26 juni 2015
Eerste Kamer
nr. 14/01456
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. J. den Hoed,
t e g e n
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. E.F.A. Linssen-van Rossum.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweerder].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 1279189 CV EXPL 11-28858 van de kantonrechter te Amsterdam van 8 november 2011, 24 april 2012, 26 juni 2012, 9 oktober 2012 en 12 maart 2013;
b. het arrest in de zaak 200.125.503/01 van het gerechtshof Amsterdam van 26 november 2013.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping.
De advocaat van [eiseres] heeft bij brief van 8 mei 2015 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 390,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders en G. de Groot, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
26 juni 2015.