Conclusie
Maak een analyse van de bijzondere situatie op Zuid en de aangrijpingspunten voor interventies en strategiebepaling. Het gaat om een integraal onderzoek waarbij het uitgangspunt is dat de problematiek wordt gekeerd door middel van een samenhangende systeemaanpak.”
Zuid kent een omvangrijke stapeling van sociaal-economische problemen in het zwakste deel van de woningmarkt in Nederland. Deze stapeling van problemen is qua omvang en intensiteit ongekend op Nederlandse schaal.” In het advies is verder opgenomen dat onder meer de deelgemeente Feijenoord laag scoort op de veiligheidsindex. Ten aanzien van de woningvoorraad staat in het advies (pagina 8): “
Er zijn aanzienlijke problemen op Zuid. Er is sprake van een zeer omvangrijke, kwetsbare, gestapelde woningvoorraad en de omvang en/of de kwaliteit van de buitenruimte laat op veel plaatsen te wensen over. In verschillende wijken wonen gezinnen in (te) kleine en verouderde woningen. (...).”
De woningmarkt in de regio Rotterdam valt te betitelen als imperfect. De woningvoorraad op Zuid kenmerkt zich door een lage en dalende WOZ-waarde, een lage druk op de woningmarkt, eenzijdige goedkope en kwetsbare voorraad en een overmaat aan particuliere verhuurders en verouderd particulier bezit. (...). De ambitie en de opgave is fors: we verbeteren of vervangen 1/3 van de woningvoorraad op Zuid in ongeveer 20 jaar (35.000 woningen waarvan ongeveer 12.000 corporatiewoningen en 23.000 particuliere woningen) en de bijbehorende buitenruimte. Hiervoor komen kwalitatief veel betere woningen terug die veel meer differentiatie in de woningvoorraad op Zuid zullen brengen.”
Vooral de woningen in de Tweebosbuurt en de Transvaalbuurt zijn slecht.”
De afgelopen jaren is er hard gewerkt aan de vernieuwing van woningen en wijken in Rotterdam Zuid . De Gemeente Rotterdam en Vestia willen ook uw buurt Tweebos gaan vernieuwen. De woningen zijn verouderd en voldoen niet meer aan de eisen van deze tijd. Daarom is het nodig de kwaliteit te verbeteren. Deze plannen leiden de komende jaren tot de sloop van veel woningen. In deze brief leest u wat dit voor u betekent. Uw woning wordt gesloopt De plannen hebben helaas tot gevolg dat uw woning wordt gesloopt. Daarom moet u verhuizen. We begrijpen dat dit een ingrijpende boodschap is. Natuurlijk gaan wij u persoonlijk informeren en begeleiden. Samen met u gaan we op zoek naar een andere woning. (...)”
Vestia heeft de door u gehuurde woning dringend nodig voor eigen gebruik, nu het vernieuwingsproject van de Tweebosbuurt met zich meebrengt dat de door u gehuurde woning wordt gesloopt en vervangen door nieuwbouw. Daarom kunnen wij de huurovereenkomst met u niet voortzetten. (...) Als u niet toestemt in de beëindiging van de huurovereenkomst, zien wij ons helaas genoodzaakt in een gerechtelijke procedure de rechter een tijdstip te laten vaststellen waarop de huurovereenkomst eindigt en de woning moet worden ontruimd. (...)”
Dringend eigen gebruik
[…] / […](HR 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0683, NJ 2010/190) overwogen:
[…] / […](HR 6 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0541, NJ 1993/583) en
/Nieuw Amsterdam(HR 3 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2065, NJ 1996/665). In het eerste arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat bij beantwoording van de vraag of het afbreken van een woning heeft te gelden als dringend eigen gebruik, doorslaggevend is of aan het in stand houden van de woning door de verhuurder zodanige kosten zijn verbonden dat , mede in aanmerking genomen de waarde van de woning en de uit de verhuur nog te verkrijgen opbrengsten, het maken daarvan in redelijkheid van een verhuurder niet kan worden gevergd. In het tweede arrest is die regel in die zin uitgebreid dat van dringend eigen gebruik ook kan worden gesproken indien een woning deel uitmaakt van een bepaald bestand van woningen waarvan de exploitatie als geheel aanzienlijke verliezen oplevert. De Hoge Raad voegde daaraan toe dat dit niet anders wordt
índien die exploitatieverliezen hun oorzaak vinden in stedebouwkundige gebreken en sociale problemen van het gebied waarin het woningbestand is gelegen, en dat de sloop mede ten doel heeft ter plaatse stedebouwkundige en sociale verbeteringen tot stand te brengen.’
3.Bespreking van het cassatiemiddel
[…] / […] [6] ,
/Nieuw Amsterdam [7] en
[…] / […] [8] (ook wel het
Herenhuis-arrest genoemd). Het hof heeft aldus miskend dat naarmate de noodzaak van de renovatie meer wordt gebaseerd op de bouwkundige staat en minder op financiële motieven, het perspectief van de beoordeling van de rentabiliteit van de exploitatie vóór renovatie verschuift naar een beoordeling van de rentabiliteit van de exploitatie na renovatie.
[…] / […]heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het enkele feit dat een verhuurder wil overgaan tot de uitvoering van een bouw- en renovatieplan geen grond kan opleveren voor het aannemen van dringend eigen gebruik, in de regel ook niet als de exploitatie van het gehuurde in ongewijzigde staat onrendabel is. Indien echter sprake is van een structurele wanverhouding tussen de exploitatiekosten en de huuropbrengsten, kan het oordeel gerechtvaardigd zijn dat de verhuurder het verhuurde in verband met renovatie zo dringend nodig heeft voor eigen gebruik dat van hem, de belangen van beide partijen naar billijkheid in aanmerking genomen, niet kan worden verlangd dat de huurverhouding wordt voortgezet. [9]
[…] / […]geïntroduceerde eis van een structurele wanverhouding tussen exploitatiekosten en huuropbrengsten
specifiek geldt voor en dus is beperkt totrenovaties die (in overwegende mate) zijn gebaseerd op financiële motieven [10] (in gelijke zin s.t. Verhuurder 2.2.8-2.2.11). Bij renovaties die (in overwegende mate) door andere motieven zijn ingegeven, zoals een slechte bouwkundige staat en/of de behoefte om stedenbouwkundige en sociale verbeteringen te realiseren in de wijk waar de gehuurde woonruimte deel vanuit maakt, hoeft voor een geslaagd beroep op dringend eigen gebruik geen sprake te zijn een structurele wanverhouding tussen de exploitatiekosten en de huuropbrengsten van de woonruimte (of het complex waarvan de woonruimte deel uit maakt) [11] . We zullen hierna bij de bespreking van subonderdelen 1.2-1.10 zien dat de nadruk hier in de eerste plaats ligt op stedenbouwkundige en sociale verbetering, respectievelijk bij de behandeling van subonderdelen 1.11-1.12 op bouwkundige gebreken. Daarvoor geldt het wanverhoudingcriterium naar geldend recht niet. Dit verschil is ook verklaarbaar: als de verhuurder overwegend financiële motieven heeft om tot renovatie over te gaan, is begrijpelijk dat een relatief hoge graad van ‘financiële klemmendheid’ wordt vereist, wil een beroep op dringend eigen gebruik kunnen slagen. Dat is geen aansprekend vereiste bij overwegend stedenbouwkundige, sociaaleconomische of ‘volkshuisvestelijke’, dan wel bouwtechnische motieven voor renovatie (in gelijke zin ook s.t. Verhuurder 2.2.12).
subonderdeel 1.2richt Huurder een rechtsklacht tegen de passage uit rov. 7.6 dat om aannemelijk te maken dat de verhuurder een woning wegens renovatie dringend nodig heeft voor eigen gebruik in verband met stedenbouwkundige of sociaaleconomische doelen, de verhuurder aannemelijk zal moeten maken dat de voorgenomen sloop- en nieuwbouwactiviteiten aan die doelen zullen kunnen bijdragen en dat in dat verband niet is vereist dat sloop en nieuwbouw de enige wijze is om in die doelen te voorzien. Daarmee is miskend dat als er alternatieven voorhanden zijn de verhuurder aannemelijk dient te maken dat de instandhouding van het gehuurde zodanige kosten vergt dat deze redelijkerwijs, mede in relatie tot de opbrengsten uit de verhuur, niet van de verhuurder kunnen worden gevergd [12] . Het hof heeft daarbij bovendien ten onrechte niet de omstandigheid betrokken dat in dit geval vaststaat dat de grondslag van de vordering van Verhuurder expliciet niet de structurele wanverhouding tussen huuropbrengsten en kosten betreft [13] .
subonderdeel 1.3luidt dat voor zover moet worden aangenomen dat het hof terecht heeft geoordeeld dat een structurele wanverhouding tussen exploitatiekosten en huuropbrengsten niet is vereist voor de vraag of een verhuurder een woning wegens dringend eigen gebruik nodig heeft, het hof ten onrechte geen onderscheid heeft gemaakt tussen de kwestie of er sprake was van onrendabele exploitatie en de vraag of er sprake was van een structurele wanverhouding. Als een structurele wanverhouding niet is vereist bij opzegging wegen stedenbouwkundige verbeteringen, is, anders dan het hof (impliciet) heeft geoordeeld, een onrendabele exploitatie wel vereist om dringend eigen gebruik aan te kunnen nemen.
subonderdeel 1.4begint een reeks hoofdzakelijk motiveringsklachten (tot en met subonderdeel 1.10) tegen de beoordeling van de stedenbouwkundige, sociaaleconomische en volkshuisvestelijke grondslagen van het beroep op dringend eigen gebruik en hoe de daarvoor gemaakte keuzes in samenspraak met relevante maatschappelijke organisaties zijn uitgemond in democratisch gelegitimeerd overheidsbeleid ter verbetering van de problemen op Zuid. Op grond van art. 42 Woningwet Pro is Verhuurder als Rotterdamse woningcorporatie gehouden naar redelijkheid bij te dragen aan de uitvoering van het volkshuisvestingsbeleid van de gemeente en dat kleurt deze zaak op dit punt. Het hof heeft zijn beoordeling daarvan uitvoerig en wat mij betreft voorbeeldig gemotiveerd in rov. 7.8-7.14. Het betreft in hoge mate feitelijke materie. In subonderdelen 1.4-1.10 worden klachten gericht tegen zo ongeveer elk element van dit uitvoerig gemotiveerde oordeel van het hof, maar die zijn volgens mij allemaal tevergeefs.
subonderdeel 1.5,waarin wordt aangevoerd dat het oordeel in rov. 7.9 dat in het NPKZ is uitgewerkt dat een belangrijk deel van de woningvoorraad op Zuid moet worden vervangen, onbegrijpelijk is. Het hof zou niet hebben toelicht waarom dat oordeel (mede) de conclusie kan dragen dat sprake is van dringend eigen gebruik, terwijl het hof niet (expliciet) Huurders stelling in zijn oordeel heeft betrokken dat de NPKZ zich schuldig maakt aan wensdenken, doordat het hof er (kennelijk) vanuit gaat dat dezelfde sociale saamhorigheid die thans aanwezig is na de beoogde herstructurering terugkeert.
besides the pointis. Het hof doelt in rov. 7.10 op de omstandigheid dat er te veel goedkope woningen in de wijk zijn in verhouding tot het aantal woningen in het midden-, hogere- en topsegment. Het hof doelt daarmee niet op disproportionaliteit van het aantal goedkope woningen in verhouding tot de vraag ernaar. Dit blijkt uit tweede zin van rov. 7.10 [17] , waarin het hof overweegt dat ‘bovendien’ uit de Gebiedsatlas Ontwikkeling Woonvoorraad van de gemeente Rotterdam blijkt dat de Afrikaanderwijk (waarvan de Tweebosbuurt onderdeel uitmaakt) een wijk is “
met een sterke disbalans in de woonvoorraad, waarbij er een tekort is aan woningen in het midden-, hoger- en topsegment”. De balans/proportionaliteit ziet dus op de samenstelling van de wijk qua woningaanbod. Dit blijkt ook uit rov. 7.11 waarin het hof concludeert dat de gemeente Rotterdam beleid voerde om tot een meer gemengde samenstelling van de woningvoorraad in de wijk te komen. Het opheffen van die disbalans vormt een legitiem sociaaleconomisch en volkshuisvestelijk belang, zoals Verhuurders s.t. in 2.3.24 terecht aankaart. Of het aanbod sociale huurwoningen kleiner is dan de vraag ernaar is zodoende niet relevant voor de vraag of het woningaanbod qua segmenten in balans is. Van onbegrijpelijkheid is hier dus geen sprake.
de stedenbouwkundige en volkshuisvestelijke noodzaak om tot sloop en renovatie van de woningen in de Tweebosbuurt over te gaan, voldoende heeft onderbouwd” en “
dat de sloop en nieuwbouw van corporatiewoningen als deel van de oplossing voor die problemen is aangedragen en politiek is omarmd”. Het hof overweegt in rov. 7.12 verder terecht dat niet doorslaggevend is voor het aannemen van die dringende noodzaak van renovatie dat iedere woning gebrekkig is en dat Huurder kennelijk tevreden is met zijn woning en zijn woonomgeving. Hieruit blijkt dat het hof de dringende noodzaak van de concrete renovatie in vorenbedoelde zin op juiste wijze heeft getoetst. De rechtsklacht ketst daarop af.
als zodanig onderdeel[is]
van het beleid dat de gemeente Rotterdam voert” en dat Verhuurder op grond van art. 42 Woningwet Pro als toegelaten instelling naar redelijkheid moet bijdragen aan de uitvoering van het gemeentelijke volkshuisvestingsbeleid. Verhuurder heeft dus volgens het hof gesteld en onderbouwd dat het herstructureringsplan in overeenstemming is met haar taak. Anders gezegd: de stedenbouwkundige, sociaaleconomische en volkshuisvestelijke redenen om tot sloop en nieuwbouw over te gaan worden mede gegrond op de onwenselijke geachte disbalans tussen sociale huurwoningen en het midden- en hogere segment en een toegelaten instelling als Verhuurder moet naar redelijkheid bijdragen aan de uitvoering van het ter oplossing daarvan gevoerde volkshuisvestingsbeleid van de gemeente. Van onvoldoende uitleg door het hof op dit punt is geen sprake.
enigeaanpak is. In dat licht heeft het hof in rov. 7.13 geoordeeld dat het feit dat er eventueel andere keuzes mogelijk zijn, niet maakt dat de afweging die Verhuurder heeft gemaakt, niet gerechtvaardigd is. Het hof heeft daarmee geoordeeld dat sprake is van dringend eigen gebruik van Verhuurder, zo volgt uit het vervolg van rov. 7.13. Het is dan eventueel aan de huurder om gegevens aan te dragen waaruit kan worden afgeleid dat de keuze van de verhuurder jegens hem onbehoorlijk of onredelijk is [23] . Het hof heeft dit alles niet miskend, zodat de nadere rechtsklacht geen doel treft.
subonderdeel 1.10klaagt Huurder dat het oordeel in rov. 7.14 dat het rapport van Maroned de conclusie niet anders maakt, zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. Het hof heeft daarmee onvoldoende gewicht aan dit rapport toegekend, mede omdat het rapport, in tegenstelling tot het advies van Deetman en Mans, expliciet betrekking heeft op de Tweebosbuurt , het bovendien om een relatief recent rapport uit 2018 gaat en het rapport is gebaseerd op gesprekken met 340 bewoners en daarmee goed is onderbouwd. Een nadere motiveringsklacht is dat er onvoldoende rekenschap is gegeven dat uit het rapport Maroned volgt dat er een grote mate van binding met de buurt is, een hoge mate van sociale cohesie en dat er een nauwe samenhang is tussen de sociale betrokkenheid en verbondenheid, veiligheid en individueel welzijn in de buurt.
[m]et het voorgaande […] het dringend eigen gebruik dan ook reeds [is] gegeven”. De daaraan voorafgaande toetsing van de stedenbouwkundige, sociaaleconomische en volkshuisvestelijke motieven is toereikend geoordeeld voor het beroep op dringend eigen gebruik door Verhuurder. Hetgeen in rov. 7.14 volgt is een nadere motivering dat voorgedragen alternatieven zijdens Huurder dat oordeel niet anders maken en hetgeen in rov. 7.15-7.17 wordt overwogen over bouwkundige redenen om tot sloop en nieuwbouw van de Tweebosbuurt over te gaan is (mogelijk; rov. 7.17 rept van ‘mede’, zie hierover hiervoor in 3.2) zelfstandig dragend voor het dringend eigen gebruik oordeel van het hof.
reëleoptie die overblijft en dat rechtvaardigt een beroep op dringend eigen gebruik in dit geval.
[…] / […] ,althans is dit arrest op onbegrijpelijke wijze uitgelegd [27] . Dit arrest zag op de situatie waarin de woonruimte van de verhuurder door diens eigen toedoen te beperkt was geworden, terwijl die situatie niet op één lijn is te stellen met de onderhavige casuspositie. Uit het arrest volgt verder dat deze omstandigheid (in ieder geval) bij de belangenafweging moet worden betrokken.
dat bij de afweging van de wederzijdse belangen geen relevante omstandigheden buiten beschouwing mogen worden gelaten” [29] . Bij het beoordelen van het belang van de huurder bij voortzetting van de huurverhouding kunnen verschillende omstandigheden een rol spelen, waaronder diens leeftijd, gezondheidstoestand, gezinsomstandigheden, financiële mogelijkheden, economische gebondenheid aan en ‘geworteldheid’ in de omgeving en de wijze waarop de huurovereenkomst tot stand is gekomen [30] . De verhuurder zal de omvang van diens stelplicht moeten afstemmen op de belangen van de huurder; als het belang van de huurder om de woning niet te hoeven verlaten bij eerste beschouwing zwaarwegend is, dan kan de stelplicht van de verhuurder zijn verzwaard [31] .
zoals die thans is vormgegeven. Het hof kon dat dan ook niet expliciet in zijn oordeel betrekken. In de passages uit de MvA is alleen aangevoerd dat Huurder verbonden is met de Tweebosbuurt en wat de gevolgen zijn voor het moeten verlaten van die buurt.
met het voorgaande”, dus op grond van stedenbouwkundige, sociaaleconomische en volkshuisvestelijke motieven. Dit zelfstandig dragend oordeel is in cassatie tevergeefs bestreden in onderdeel 1. De hier in de klacht aangedragen omstandigheid is alleen relevant in het kader van dringend eigen gebruik dat is gebaseerd op de bouwkundige staat van (het complex van) de woningen, waarop het hof ook nog ingaat in rov. 7.15-7.17. Het hof heeft overigens het punt van het ‘aan Verhuurder zelf te wijten zijn’ naar voorkomt ook hier bij de belangenafweging (althans impliciet) meegewogen in rov. 9.3 (‘(h)oewel die situatie door Vestia zelf in het leven is geroepen’). In de uitgevoerde belangenafweging weegt het algemeen belang dat Verhuurders plannen worden doorgevoerd zwaarder bij het hof dan het belang van Huurder. Dat is een feitelijke exercitie en volgens mij niet onbegrijpelijk.
die situatie[namelijk in vergaande mate ontmantelde, dichtgeschroefde en/of dichtgemetselde woningen]
door Vestia zelf in het leven is geroepen”. Het hof heeft dit echter niet voldoende geacht om de belangenafweging in het voordeel van Huurder te laten uitvallen. Dat is gemotiveerd in rov. 9.3 met de passage dat de doelen die Verhuurder heeft nagestreefd door haar terecht zijn nagestreefd en dat het in het algemeen belang is dat de plannen van Verhuurder bij de huidige stand van zaken zo snel mogelijk worden verwezenlijkt, omdat in de thans leegstaande woningen niet meer kan worden gewoond, terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat er sprake is van een grote vraag naar woningen. Volgens het hof is het belang van Verhuurder daarmee zo zwaarwegend dat het belang van Huurder het daartegen aflegt. Dit oordeel is niet ontoereikend gemotiveerd.
wederzijdse belangen van de verhuurder en huurder bij een beëindigingsvordering op grond van dringend eigen gebrek. Het hof heeft deze omstandigheid terecht niet meegenomen in zijn afweging.
subonderdeel 2.4is dat het hof ten onrechte bij de belangenafweging niet de stellingen van Huurder over de nadelige gevolgen van ‘gentrificatie’ heeft betrokken, omdat dit, anders dan het hof in rov. 7.14 kennelijk heeft geoordeeld, een relevante omstandigheid bij de belangenafweging kan vormen, waarbij de klacht onder meer verwijst naar subonderdeel 1.10.
voor de buurt, betreft niet een omstandigheid die relevant is in het kader van bedoelde belangenafweging. Bovendien heeft Huurder deze omstandigheid in hoger beroep ook niet aangevoerd als relevante omstandigheid in het kader van de belangenafweging en daarmee niet in een voor de klacht relevante context. Het hof mocht ook om die reden aan de stellingen van Huurder over ‘gentrificatie’ voorbijgaan [34] .
subonderdeel 4.2klaagt Huurder dat het hof bij de toets aan art. 8 EVRM Pro ten onrechte slechts oog heeft gehad voor de vraag of Huurder de mogelijkheid is geboden om in de Tweebosbuurt in een sociale woning te blijven wonen, omdat de proportionaliteitstoets van art. 8 EVRM Pro onder andere moet worden ingevuld door te bekijken of alternatieve en minder vergaande oplossingen open staan om hetzelfde doel te bereiken. Het hof heeft daarmee de brede strekking van art. 8 EVRM Pro miskend. De proportionaliteitstoets is niet beperkt tot de vraag welk belang de huurder heeft bij het behoud van diens specifieke woning, maar ook huurdersbelangen die verband houden met het verlies van de sociale omgeving waar die woning deel van uitmaakt moeten worden meegewogen bij de toets onder art. 8 EVRM Pro. In dat verband dient ook het kader van het Rotterdamse woonbeleid te worden meegewogen, voor zover dat de individuele huurder raakt. Dat alles is volgens subonderdeel 4.2 miskend.
pressing social need’) voor die inmenging moet zijn en dat de opgegeven redenen relevant en voldoende (‘
relevant and sufficient’) zijn en dat het verlies van de woning proportioneel moet zijn in het licht van het nagestreefde doel. Het hof overweegt verder dat uit art. 8 EVRM Pro een procedurele eis voortvloeit, in de zin dat een bewoner die geconfronteerd wordt met het verlies van zijn woning de mogelijkheid moet hebben de proportionaliteit van de maatregel door een onafhankelijke rechter te laten toetsen.
zeker niet” in iedere zaak aangewend [48] .
least restrictive means test’ (de Engelse benaming voor het subsidiariteitsvereiste) door het EHRM “
only in rare cases,”wordt toegepast
“and usually only when it has left the State a narrow margin of appreciation and is strictly scrutinising the arguments the government has advanced in its defence” [53] . Uit dit citaat blijkt het belang van nog een ander element dat hier een rol speelt, namelijk de beoordelingsruimte die lidstaten hebben om bepaalde maatregelen te nemen. Gerards schrijft dat een ruime
margin of appreciationvan lidstaten een grote keuzevrijheid impliceert en dat alleen wanneer partijen aantonen dat de keuze voor de betreffende maatregel, in vergelijking tot beschikbare alternatieven, werkelijk willekeurig was, het EHRM in dat geval een beroep op het subsidiariteitsbeginsel zal accepteren [54] . Bovendien worden bij een smallere
margin of appreciationweliswaar hogere eisen gesteld in het kader van de subsidiariteit, maar wordt volgens haar “
zelfs dan” het element van subsidiariteit alleen maar in de uitspraak genoemd wanneer minder belastende alternatieven duidelijk beschikbaar zijn of als op het bestaan daarvan uitdrukkelijk door de klager is gewezen [55] . Volgens Vande Lanotte en Haeck volstaat in de regel bovendien niet om aan te tonen dat in het betreffende geval alternatieve en minder vergaande methodes kunnen worden gebruikt of zelfs in een of meer andere verdragsstaten worden gehanteerd om hetzelfde doel te bereiken [56] .
een recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer moet worden aanvaard, dat aansluit bij vergelijkbare ontwikkelingen in andere landen en dat naar zijn inhoud wordt bepaald door art. 8 EVRM Pro, waarvan moet worden aangenomen, dat het ook werking heeft tussen de burgers onderling” [57] . NJ-annotator Alkema stelt dat deze benadering “
zeer dicht komt bij de directe horizontale werking” [58] , terwijl Hartkamp meent dat hier sprake is van indirecte horizontale werking, omdat art. 8 EVRM Pro niet rechtstreeks wordt toegepast, maar wordt omgezet in een regel van nationaal recht [59] . Deze laatste opvatting lijkt te worden bevestigd door een arrest uit 2002, waarin is geoordeeld “
dat een inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in beginsel een onrechtmatige daad oplevert (HR 9 januari 1987, nr. 12717, NJ 1987, 928). De aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond kan aan een inbreuk het onrechtmatige karakter ontnemen” [60] . Doorwerking dus via het leerstuk van de onrechtmatige daad.
Hyatt Imaakte het antidrugsbeleid van werkgever Hyatt inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van haar werknemers en was de vraag of die inbreuk gerechtvaardigd was. De Hoge Raad overwoog dat voor die vraag dient te worden onderzocht of de inbreukmakende handeling een legitiem doel dient en of zij een geschikt middel is om dat doel te bereiken (het noodzakelijkheidscriterium); of de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de werknemer evenredig is in verhouding tot het belang van de werkgever bij het bereiken van het beoogde doel (het proportionaliteitscriterium), en of de werkgever dat doel redelijkerwijs op een minder ingrijpende wijze kon bereiken (het subsidiariteitscriterium) [61] . Volgens NJ-annotator Verhulp past de Hoge Raad art. 8 EVRM Pro voor het eerst, na dit volgens hem al eerder in andere horizontale geschillen te hebben gedaan, direct toe in een arbeidsrechtelijk geschil.
Hyat IIuit 2019 overweegt de Hoge Raad dat de grondrechten vervat in de Staatsregeling van Aruba als zodanig geen directe werking hebben in verhoudingen tussen burgers onderling en er dus geen wettelijke grondslag nodig is voor een inperking van die grondrechten in dergelijke verhoudingen, maar dat (constitutionele) grondrechten wel kunnen doorwerken in een rechtsverhouding tussen burgers, en dat het hof dit heeft onderkend, waarbij hij ter vergelijking verwijst naar de hiervoor aangehaalde rechtsoverweging in
Hyatt I [62] . NJ-annotator Barentsen leidt uit de overweging over indirecte doorwerking van grondrechten af dat de betekenis daarvan breder is dan alleen voor de doorwerking van de Arubaanse staatsregeling in de arbeidsverhouding [63] . Het lijkt er volgens hem op dat de Hoge Raad meer algemeen kiest voor deze vorm van doorwerking van grondrechten (dus indirecte doorwerking). De vraag rijst dan wel of bij de rechtvaardiging van de inbreuk op (de inmenging in) een grondrecht, een gewone belangenafweging dient te worden gemaakt, dan wel dat (altijd) moet worden getoetst aan noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit [64] .
proportioneelzijn in het licht van de belangen van Verhuurder en de doelen die door de sloop- en nieuwbouwplannen worden nagestreefd. Het hof verwijst daartoe kortheidshalve “
naar hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de te maken belangenafweging”, waarmee klaarblijkelijk wordt verwezen naar de in rov. 9.1-9.4 uitgevoerde de belangenafweging ex art. 7:274 lid 1 onder Pro c BW. De klacht dat het hof niet aan het
subsidiariteitsvereiste(in de zin van onderzoeken of er alternatieve en minder vergaande oplossingen voor Verhuurder openstaan) heeft getoetst in het kader van de proportionaliteitstoets, lijkt mij niet op te kunnen gaan als
leadingis wat het EHRM op dit terrein verlangt. Gezien werd dat aan dit vereiste door het EHRM soms, maar lang niet altijd wordt getoetst.
In het kader van zijn beroep op art. 8 EVRM Proheeft Huurder overigens ook niet gewezen op alternatieven voor de sloop en nieuwbouw van (onder meer) het gehuurde in de Tweebosbuurt [67] . Het hof heeft zo beschouwd dan ook niet miskend dat de proportionaliteitstoets (dan wel noodzakelijkheidstoets) een subsidiariteitstoets
kanmeebrengen. Het had namelijk op de weg van Huurder gelegen om daar uitdrukkelijk een beroep op te doen en te onderbouwen welke minder belastende alternatieven beschikbaar zouden zijn. Nu hij dat niet heeft gedaan en alternatieven zich ook niet duidelijk aandienen, kan de klacht niet slagen.
Hyatt II(kan het doel redelijkerwijs op een minder ingrijpende wijze worden bereikt?), dan kan de klacht in mijn optiek bij gebrek aan feitelijke grondslag niet slagen (en subsidiair geldt hetzelfde als de EVRM norm hier moet worden aangehouden, in aanvulling op het besprokene in het vorige randnummer). Het hof heeft in rov. 9.3 namelijk geoordeeld het de situatie moet toetsen zoals die thans (dus: op het moment van het wijzen van het arrest) bestaat. Die situatie is dat een groot deel van de huurders van Verhuurder is verhuisd en dat Huurder feitelijk de laatste huurder is in het blok aan de [a-straat] (afgezien van twee andere huurders, van wie er één al is veroordeeld tot ontruiming en de ander heeft ingestemd met huurbeëindiging). De vrijgekomen woningen zijn door Verhuurder in verband met het feit dat andere woningen gekraakt zijn geweest, in vergaande staat ontmanteld en/of dichtgeschroefd of dichtgemetseld. Het hof acht het bij die stand van zaken “
ondenkbaar” dat het complex weer in gebruik zal kunnen worden genomen, “
in ieder geval niet zonder dat daar onevenredig hoge kosten tegenover staan”. Kennelijk heeft het hof hiermee bedoeld dat het doel door Verhuurder niet redelijkerwijs (want niet dan tegen
onevenredighoge kosten) op een minder ingrijpende wijze kon worden bereikt dan door sloop en nieuwbouw van specifiek het wooncomplex waarin zich de woning van Huurder bevindt. Ook zo bezien faalt de hier besproken subsidiairiteitsklacht.
Subonderdeel 4.3klaagt tegen het oordeel in rov. 10.9 dat art. 8 EVRM Pro er niet aan in de weg staat dat stedenbouwkundige afwegingen leiden tot de conclusie dat een bepaald woonblok moet worden gesloopt en moet worden vervangen door andere woningen en dat uit art. 31 ESH Pro niet volgt dat op wijkniveau geen wijzigingen in het woonbestand kunnen worden doorgevoerd. Dat is onjuist, althans onbegrijpelijk in het licht van de stelling dat er alternatieven voorhanden zijn (onder verwijzing naar MvA 27-29), zodat niet wordt voldaan aan de proportionaliteitseis van art. 8 EVRM Pro. De alternatieven zien niet alleen op alle woningen in de buurt, maar ook specifiek op de woning van Huurder, zodat de overweging van het hof hoe dan ook niet als een overweging ten overvloede heeft te gelden.
subonderdeel 4.4klaagt Huurder over het oordeel in rov. 10.10 en 10.11 dat de beleidsmatige keuze om in een specifieke buurt minder sociale woningen terug te bouwen, niet zonder meer ontoelaatbaar is. Dat zou ook onjuist, althans onbegrijpelijk zijn. Het hof heeft hier volgens de klacht een te afstandelijke toetsingsmaatstaf gehanteerd, een te beperkte stelplicht voor Verhuurder gehanteerd en zijn oordeel in het licht van de in onderdelen I en II vervatte klachten van een onvoldoende (begrijpelijke) motivering voorzien.
subonderdeel 4.5is ten slotte dat voor zover het hof in rov. 10.7 de huuropzegging en ontruiming mede op grond van de overwegingen ten aanzien van de belangenafweging proportioneel heeft geacht, dat oordeel niet in stand kan blijven gelet op wat in onderdeel II is aangevoerd.
in het bijzonder” heeft aangeboden (i) te bewijzen dat de herstructureringsplannen van Verhuurder en de gemeente geen adequate methoden zijn om, het grote geheel overziend, de leefbaarheid en sociaaleconomische omstandigheden in de Tweebosbuurt te verbeteren en (ii) zijn persoonlijke omstandigheden, binding met zijn woning en de Tweebosbuurt , verder te onderbouwen en te bewijzen, is in beginsel inderdaad onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat Huurder niet heeft aangegeven op welke stellingen zijn bewijsaanbod betrekking heeft. In zoverre is de klacht op zichzelf terecht voorgesteld. Dit kan Huurder bij gebrek aan belang echter niet baten.