Conclusie
geenomzetbelasting in rekening brengt over de in artikel 3 lid 1 bedoelde Pro huurprijs.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Dringend eigen gebruik; renovatie
[a]er is slechts een gewijzigde ontsluiting van de verdiepingen en de vergroting van het winkeloppervlak tot 152 m2 is uitsluitend erin gelegen dat [eiser] kiest voor een andere inrichting/indeling van het huidige souterrain, dat als kantoor dienst doet en de huidige eerste verdieping, die [verweerder] als opslagruimte gebruikt.
[b]Deze door [eiser] beoogde veranderingen zijn evenwel geen wijzigingen in plaats en functie die meebrengen dat de huurovereenkomst niet zou kunnen worden voortgezet.
[c]De functie van souterrain en eerste verdieping blijft “verhuurde winkelruimte”. Het is een eigen keuze van [verweerder] deze verdiepingen thans niet te gebruiken als verkoopvloer, welke keuze hij weer zou kunnen maken na afloop van de beoogde verbouwing.
[d]Het gehuurde verandert door die verbouwing niet wezenlijk.
[e]Uit productie D zijdens [eiser] bij gelegenheid van het pleidooi in eerste aanleg overgelegd blijkt dat door de verbouwing per saldo geen extra meters verhuurde winkelruimte worden toegevoegd. De 51 m2 op de tweede verdieping die na de verbouwing bij het gehuurde worden geteld betreffen immers de opslagruimte die [verweerder] blijkens de tekst van de huurovereenkomst thans reeds huurt, maar aan [eiser] , in huur of in gebruik, heeft afgestaan.
[g]Het betoog van [eiser] dat het renovatieplan leidt tot meer dan een verdubbeling van de huidige huur en derhalve dringend eigen gebruik alsook een belang in het kader van de belangenafweging oplevert, kan niet slagen zoals hierna onder 3.4.8 wordt overwegen.
NJ2010/190 (Herenhuis-arrest) [30] voor de beëindiging van huur van woonruimte (zie art. 7:274 BW Pro) neergelegde maatstaf niet geldt voor de beëindiging van huur van bedrijfsruimte in de zin van art. 7:290 BW Pro. Bij beëindiging van de huur van woonruimte mag volgens de Hoge Raad een beroep op dringend eigen gebruik van de verhuurder niet te snel worden gehonoreerd, gelet op het gewicht dat toekomt aan de door het huurrecht beoogde bescherming van de huurder van woonruimte. Naar de Hoge Raad in voormeld arrest heeft overwogen, is bij woonruimte de enkele omstandigheid dat de exploitatie van het verhuurde in ongewijzigde staat onrendabel is, onvoldoende voor het aannemen van dringend eigen gebruik. Voor het aannemen daarvan geldt de strengere maatstaf dat sprake is van een structurele wanverhouding tussen de exploitatiekosten en de huuropbrengsten.
subonderdeel 1.3wordt geklaagd dat het hof in zijn hiervoor onder e weergegeven overwegingen bovendien heeft miskend dat de vraag, of de tweede verdieping van het pand al dan niet tot het gehuurde behoort, dient te worden beantwoord aan de hand van de Haviltex-maatstaf, althans dat het hof bij de beantwoording van de desbetreffende vraag niet uitsluitend, althans in doorslaggevende mate, acht had dienen te slaan op de tekst van de schriftelijk tussen partijen gesloten huurovereenkomst, maar op alle (relevante) feiten en omstandigheden van het geval, waaronder het feitelijk gebruik van het gehuurde. Een en ander klemt volgens het subonderdeel temeer in het licht van het gemotiveerde en gedocumenteerde betoog van [eiser] , dat de tweede etage niét tot het gehuurde behoort, waarvan ook [verweerder] in het kader van de huurprijsherziening van 2007 is uitgegaan. [37] Aan dit (essentiële) betoog van [eiser] is het hof ten onrechte, althans op onbegrijpelijke wijze, voorbijgegaan. [38]
subonderdeel 1.4is het in rov. 3.4.6 onder a weergegeven oordeel van het hof overigens ook onjuist en/of onbegrijpelijk, in het bijzonder voor zover dat oordeel (door het gebruik van de woorden "slechts" resp. "uitsluitend") een kwalificatie behelst van de door [eiser] voorgenomen renovatie. Het subonderdeel betoogt dat óók een voorgenomen renovatie als de onderhavige, als zodanig aanleiding kan geven tot beëindiging van de huurovereenkomst op de voet van artikel 7:296 lid 1 onder Pro b BW, althans dat een zodanige aanleiding bestaat in het onderhavige geval. Volgens het subonderdeel heeft [eiser] gemotiveerd en gedocumenteerd betoogd dat de voorgenomen renovatie meebrengt dat het gehuurde zowel naar functie als plaats (zeer) ingrijpend wordt gewijzigd: de winkelruimte krijgt door de gewijzigde ontsluiting resp. gewijzigde inrichting/indeling van verdiepingen een geheel andere aanblik [39] , het aantal winkelmeters wordt bijna verdubbeld, althans neemt in oppervlakte significant (met 65%) toe, en de minder rendabele indeling van het pand wordt aangepast. [40] Op dit (essentiële) betoog van [eiser] heeft het hof echter niet, althans niet op voldoende begrijpelijke wijze gerespondeerd.
medemoet worden betrokken op feiten en omstandigheden die betrekking hebben op een wijziging in plaats en functie van het gehuurde, is het oordeel onbegrijpelijk in het licht van het hiervoor in subonderdeel 1.4 weergegeven (essentiële) betoog van [eiser] . Voor zover (ii) het oordeel moet worden betrokken op feiten en omstandigheden anders dan betrekking hebbend op een wijziging in plaats en functie van het gehuurde, is het oordeel eveneens onbegrijpelijk omdat [eiser] gemotiveerd heeft betoogd dat de door hem voorgenomen renovatie óók niet mogelijk is zonder beëindiging van de huurovereenkomst, gelet op de specifieke aard van de onderneming van [verweerder] , een juwelierszaak, en de daarmee samenhangende veiligheidsaspecten respectievelijk de ten gevolge daarvan te verwachten obstakels bij een tijdelijke verhuizing van de in het gehuurde uitgeoefende onderneming, nog daargelaten dat gesteld noch gebleken is dat [verweerder] tot een dergelijke tijdelijke verhuizing bereid zou zijn.
subonderdeel 1.6geklaagd dat het hiervoor onder g weergegeven oordeel van het hof rechtens onjuist en/of onbegrijpelijk is om de in onderdeel 2 uiteen te zetten redenen.
onderdeel 3.
[i]dat niet is gebleken dat de door [eiser] gewenste renovatie van het gehuurde niet met voortzetting van de huurovereenkomst gepaard zou kunnen gaan.
[ii][eiser] heeft echter geen renovatievoorstel aan [verweerder] voorgelegd als bedoeld in artikel 7:220 BW Pro, zodat [verweerder] voor zichzelf ook nog niet heeft kunnen bepalen of hij onder de juiste randvoorwaarden met de renovatie zou kunnen instemmen. Dit pleit niet voor een beëindiging van het huurrecht van [verweerder] met het oog op die renovatie op grond van een belangenafweging.
[iii]Voor zover de door [eiser] beoogde renovatie al tot de door hem gestelde – en door [verweerder] betwiste – significante rendementsverbetering/verdubbeling van de huurprijs zou leiden, mag een renovatie niet dienen ter omzeiling van de matigende werking die artikel 7:303 BW Pro op de huurprijs heeft. Ook dat pleit niet voor toewijzing van de beëindigingsvordering op grond van de belangenafweging.
[iv]het evidente belang van [verweerder] bij voortzetting van de huurovereenkomst; naar hij onbestreden heeft aangevoerd, is hij voor zijn inkomsten afhankelijk van de inkomsten uit de in het pand gedreven juwelierszaak, heeft hij ter plaatse in dertig jaar aanzienlijke goodwill opgebouwd en investeringen gepleegd, terwijl
[v]een verhuizing naar een alternatieve locatie, als die al voorhanden is, betekent dat kostbare veiligheidsmaatregelen getroffen moeten worden.
nader(curs. A-G) zal vaststellen als een van partijen meent dat de tussen hen geldende huurprijs niet overeenstemt met die van vergelijkbare bedrijfsruimte ter plaatse. De huurprijs is in de aanvang volkomen vrij en blijft dat ook tijdens de huurovereenkomst. Partijen staat vrij om af te spreken wat zij willen. Als geen overeenstemming is te bereiken, staat echter de gang naar de rechter open. [47]
Subonderdeel 3.3klaagt dat het hof door aan de zijde van [verweerder] de hiervoor onder (iv) weergegeven feiten en omstandigheden in aanmerking te nemen, ten onrechte, althans op onbegrijpelijke wijze, is voorbijgegaan aan het (essentiële) betoog van [eiser] dat [verweerder] ruim voldoende de tijd heeft gehad om zijn investeringen af te schrijven en terug te verdienen, terwijl het huurrecht naar zijn aard eindig is, zodat de beschermingsbehoefte in een geval als dit, waarin de huurovereenkomst al ruim 30 jaar loopt, veel aan kracht inboet. [51] Subonderdeel 3.4bouwt hierop voort en klaagt dat, gelet op in subonderdeel 3.3 genoemde stellingname van [eiser] met betrekking tot (kort gezegd) het afgeschreven zijn van investeringen en de eindigheid van het huurrecht, de kosten van de aan een verhuizing verbonden veiligheidsmaatregelen niet (zonder meer) doorslaggevend kunnen zijn voor de vraag of een belangenafweging in de zin van artikel 7:296 lid 3 BW Pro dient te leiden tot beëindiging van de huurovereenkomst, zoals het hof onder (v) heeft gedaan. [52]