Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de middelen
4.Beslissing
26 juni 2015.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van verzoeker verworpen. Het geding betrof een verzoek tot toelating tot cassatie in een procedure rondom de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP).
De rechtbank Limburg en het gerechtshof ’s-Hertogenbosch hadden eerder uitspraak gedaan, waarbij het hof het verzoek tot toelating tot cassatie afwees. Verzoeker stelde hiertegen beroep in cassatie in, maar de Hoge Raad concludeerde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden.
De Advocaat-Generaal had geadviseerd het cassatieberoep te verwerpen met toepassing van artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RO). De Hoge Raad volgde dit advies en oordeelde dat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het beroep werd daarom zonder nadere motivering verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen wegens het ontbreken van relevante rechtsvragen.