Belanghebbende was eigenaar van een gasgestookte warmtekrachtcentrale (WKC) die bestond uit diverse gebouwen en installaties. De WKC werd in 1991 gebouwd en leverde stoom en elektriciteit aan een brouwerij, met wie een overeenkomst bestond tot 2003. Door marktontwikkelingen en liberalisering werd de productie aangepast en uiteindelijk in 2013 buiten gebruik gesteld.
De heffingsambtenaar stelde voor 2009 de WOZ-waarde van de WKC vast op €2.439.000, later verminderd tot €2.222.000. Belanghebbende bracht een taxatierapport in met een waarde van €910.000, waarin een correctie wegens economische veroudering werd toegepast op basis van energetisch rendement en draaiuren.
Het hof oordeelde dat het aantal draaiuren en het energetisch rendement geen goede maatstaven zijn voor economische veroudering van de opstal en wees het beroep af. De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze factoren buiten beschouwing zijn gelaten, vooral omdat de installaties deel uitmaken van de onroerende zaak.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling, met inachtneming van de juiste toerekening van economische veroudering en een redelijke bewijslastverdeling. Proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.