Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
7 juli 2015.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde een aanvraag tot herziening van een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de aanvrager was veroordeeld voor mishandeling. De aanvraag was gebaseerd op een nieuwe verklaring van een betrokkene die zou aantonen dat een andere getuige was teruggekomen op haar eerdere verklaring die als bewijs diende.
De Hoge Raad stelde vast dat de aanvrager aannemelijk moest maken dat en waarom de getuige op haar verklaring was teruggekomen. De verklaring van de betrokkene gaf echter geen redenen voor het terugkomen op de eerdere verklaring, waardoor onvoldoende grond bestond om de juistheid daarvan in twijfel te trekken.
Daarmee wekte de nieuwe verklaring niet het ernstige vermoeden dat, indien bekend geweest, het onderzoek tot vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging of een minder zware straf zou hebben geleid. De Hoge Raad verklaarde de aanvraag tot herziening daarom kennelijk ongegrond en wees deze af.
Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren, waarbij twee raadsheren niet in staat waren het arrest te ondertekenen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af wegens onvoldoende grond voor twijfel aan de getuigenverklaring.