ECLI:NL:HR:2015:1802

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2015
Publicatiedatum
7 juli 2015
Zaaknummer
15/01010
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • A.J.A. van Dorst
  • J.P. Balkema
  • J.W. Ilsink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag herziening mishandelingszaak na terugkomen getuigeverklaring

De Hoge Raad behandelde een aanvraag tot herziening van een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de aanvrager was veroordeeld voor mishandeling. De aanvraag was gebaseerd op een nieuwe verklaring van een betrokkene die zou aantonen dat een andere getuige was teruggekomen op haar eerdere verklaring die als bewijs diende.

De Hoge Raad stelde vast dat de aanvrager aannemelijk moest maken dat en waarom de getuige op haar verklaring was teruggekomen. De verklaring van de betrokkene gaf echter geen redenen voor het terugkomen op de eerdere verklaring, waardoor onvoldoende grond bestond om de juistheid daarvan in twijfel te trekken.

Daarmee wekte de nieuwe verklaring niet het ernstige vermoeden dat, indien bekend geweest, het onderzoek tot vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging of een minder zware straf zou hebben geleid. De Hoge Raad verklaarde de aanvraag tot herziening daarom kennelijk ongegrond en wees deze af.

Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren, waarbij twee raadsheren niet in staat waren het arrest te ondertekenen.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af wegens onvoldoende grond voor twijfel aan de getuigenverklaring.

Uitspraak

7 juli 2015
Strafkamer
nr. 15/01010 H
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 2 april 2013, nummer 24/000990-11, ingediend door mr. A.A. Dooijeweerd, advocaat te Zutphen, namens:
[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947.

1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank Zwolle-Lelystad van 9 mei 2011 - de aanvrager ter zake van onder meer 1. "mishandeling" veroordeeld tot een taakstraf van dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis.

2.De aanvraag tot herziening

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Hoge Raad heeft voorts kennisgenomen van alle nadien, tot aan de datum van dit arrest binnengekomen correspondentie met betrekking tot deze aanvraag.

3.Beoordeling van de aanvraag

3.1.
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv Pro slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
3.2.
De aanvraag berust op de stelling dat uit de bij de aanvraag gevoegde verklaring van [betrokkene 1] blijkt dat [betrokkene 2] is teruggekomen op haar eerder in het opsporingsonderzoek afgelegde verklaring.
3.3.
Vooropgesteld dient te worden dat een aanvrager bij zijn aanvraag tot herziening aannemelijk moet maken dat en waarom getuigen op een hem belastende verklaring terugkomen. In zijn verklaring stelt [betrokkene 1] dat hij van [betrokkene 2] heeft gehoord dat zij terugkomt op haar eerder in het opsporingsonderzoek afgelegde verklaring, welke verklaring het Hof voor het bewijs heeft gebezigd. De aanvraag noch de verklaring van [betrokkene 1] houdt in dat door [betrokkene 2] redenen zijn opgegeven voor het terugkomen op haar eerder afgelegde verklaring. Daarom is er onvoldoende grond om aan te nemen dat deze verklaring onjuist is. De bij de aanvraag overgelegde verklaring wekt derhalve niet een ernstig vermoeden als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv.
3.4.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de aanvraag kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.

4.Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 juli 2015.
Mr. Balkema en mr. Ilsink zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.