Belanghebbende stelde zich in hoger beroep tevergeefs op het standpunt dat de aan hem opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2009 onterecht was. Het Gerechtshof Den Haag had de aanslag bevestigd. Belanghebbende ging in cassatie tegen dit oordeel.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van belanghebbende niet tot cassatie konden leiden. Dit omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling, zoals bedoeld in artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad bevestigde dat de ontslaguitkering terecht in de heffing van de inkomstenbelasting is betrokken, en dat een eventuele eindheffing bij de werkgever daaraan niet afdoet. De Hoge Raad wees het beroep in cassatie ongegrond en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.
Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2015.