Conclusie
advocaat: mr. J. de Jong van Lier
verweerster in cassatie,
niet verschenen
[eiser]respectievelijk
Martinair.
1.Inleiding en samenvatting
de VVR). Voor deelname aan de VVR gold het voorbehoud dat de individuele beëindigingsregeling in fiscale zin niet wordt aangemerkt als regeling voor vervroegde uittreding (hierna:
RVU). Daarmee is bedoeld een overbruggingsregeling voor de periode tussen uitdiensttreding en pensioen. Indien een beëindigingsregeling voor de betrokken werknemer als RVU is aan te merken, dan moet de werkgever over de beëindigingsvergoeding een ‘pseudo-eindheffing van 52% afdragen aan de fiscus, door [eiser] in de stukken aangeduid als ‘RVU-boete’. Deze regeling moet worden gezien tegen de achtergrond van de rond 2005 tot stand gekomen wetgeving om een einde te maken aan ‘VUT-regelingen’ en die ook in fiscaal opzicht te ontmoedigen.
2.Feiten
VNV) een vrijwillige vertrekregeling vastgesteld, de VVR 2014.
5. RVU
Indien op grond van de hierboven omschreven toets sprake is van een RVU, kan de vlieger geen aanspraak maken op de VVR en de in artikel 2 opgenomen Pro beëindigingsvergoeding.”
Vraag 2 : Wat is een RVU ?
Onverkorte toepassing van de in het protocol opgenomen formule zou leiden tot een bedrag van 266.816,60 euro bruto (AxBxC) (…)
VSO) opgestuurd, die was gebaseerd op de VVR 2014-2015 [6] en waarin de beëindigingsvergoeding was vastgesteld op € 175.537,24 bruto:
c. Partijen hebben derhalve afspraken gemaakt over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de gevolgen daarvan, een en ander gebaseerd op het Protocol Vrijwillige Vertrekregeling Martinair-vliegers 2015-2016, verder te noemen ‘het Protocol’, zoals door Martinair is afgesloten met de VNV;
[hoofd HR]), aan [eiser] onder meer het volgende bericht:
op voorhandingehouden pseudo-eindheffing vrijwillige vertrekregeling van € 91.279,36 op het voor mij door VNV en werkgever gebudgetteerde bedrag van €266.816,60 (…), terwijl “
op dit moment”(…) nog niet duidelijk is voor zowel belastingdienst als voor Martinair, als voor mij of de op mij ingehouden pseudo-eindheffing (…) op mij van toepassing is en in de toekomst blijft. Dat zal de toekomst dus uit moeten wijzen.
De meest recente VVR is op uw situatie niet van toepassing. De reden dat bij die regeling geen RVU-heffing van toepassing is, is dat de basis van de regeling wezenlijk anders is dan de VVR waar u gebruik van heeft gemaakt. De meest recente VVR kent een toewijzing op basis van afspiegeling. (…)
Mocht achteraf blijken dat Martinair de voor u afgedragen RVU-heffing alsnog terugkrijgt van de Belastingdienst dan zullen wij ons opnieuw beraden.(…)”
3.Procesverloop
het hof). Hij heeft, onder aanvoering van negen grieven, onder meer gevorderd dat het vonnis wordt vernietigd en dat zijn vorderingen alsnog worden toegewezen. Voorts heeft hij, bij wijze van eisvermeerdering, gevorderd dat Martinair wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 91.279,36 aan schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad respectievelijk ongerechtvaardigde verrijking.
grieven 6 en 7falen.”
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 2heeft betrekking op het oordeel van het hof dat sprake is van een
legitiem doelvoor het gekozen middel (het voorbehoud in de VVR dat die niet van toepassing is wanneer de beëindigingsvergoeding leidt tot een RVU).
Onderdeel 3ziet op de
passendheiden de
noodzakelijkheidvan het middel.
Onderdeel 4tot slot betoogt dat het hof heeft miskend dat het gekozen middel in strijd is met de wet.
de Richtlijn) beoogt een algemeen kader te scheppen om voor eenieder gelijke behandeling in arbeid en beroep te waarborgen door effectieve bescherming te bieden tegen discriminatie op een van de in art. 1 van Pro de Richtlijn genoemde gronden, waaronder leeftijd. De Richtlijn is wat betreft leeftijdsonderscheid geïmplementeerd in de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (hierna:
WGBLA). [16]
objectief en redelijk worden gerechtvaardigd” door een legitiem doel, “
met inbegrip van legitieme doelstellingen van het beleid op het terrein van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt of de beroepsopleiding”.Naast de eis van het legitieme doel geldt dat de ingezette middelen voor het bereiken van dat doel passend én noodzakelijk zijn.
Wet LB) [21] bepaalt voor zover thans van belang dat een door een inhoudingsplichtige gedane en op hem drukkende uitkering ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding wordt aangemerkt als loon dat als een eindheffingsbestanddeel wordt belast naar een tarief van 52%. [22]
Wet VPL). [23] Deze wet bevatte onder meer maatregelen met als doel het afschaffen van de fiscale faciliëring van VUT en prepensioen.
besluit van 26 mei 2005heeft de Staatssecretaris richtlijnen uitgevaardigd over de reikwijdte van het begrip RVU. Paragraaf 4 van dit besluit bevat een
kwantitatieve toets, aan de hand waarvan kan worden bepaald of een (recht op een) eenmalige ontslaguitkering niet als een RVU moet worden aangemerkt: de 55-jaar-toets en de 70%-toets.
hoogtevan de uitkeringen getoetst of de regeling niet ten doel heeft om werknemers vervroegd te laten uittreden.
besluit van 8 december 2005, is hiernaast een ‘kwalitatieve toets’ geïntroduceerd. [25] Het kwalitatieve element zit erin dat wordt gekeken naar de
reden van de toekenningvan een beëindigingsvergoeding. In paragraaf 3 van dit besluit wordt met betrekking tot de situatie van (collectief) ontslag wegens reorganisatie onder meer vermeld:
vrijwilligeafvloeiingsregeling (zoals hier aan de orde), maar op een collectief (gedwongen) ontslag met een sociaal plan. Het is mogelijk dat de hoogte van de beëindigingsvergoeding in het kader van een vrijwillige vertrekregeling op grond van de kwantitatieve toets leidt tot de conclusie dat sprake is van een RVU, terwijl het sociaal plan voor hen die gedwongen worden ontslagen, achteraf bezien, de kwalitatieve toets doorstaat (zodat RVU-heffing niet aan de orde was geweest wanneer alle ontslagen gedwongen hadden plaatsgevonden).
18 december 2013. Daarin wordt ingegaan op de situatie dat een sociaal plan voor gedwongen ontslagen wordt voorafgegaan door een vrijwillige afvloeiingsregeling tegen een beëindigingsvergoeding (wat m.i. lijkt op de wijze waarop het in deze zaak gegaan is). [27] In dit besluit staat het volgende:
belastingkamer van de Hoge Raadheeft enkele malen over deze problematiek geoordeeld. [30] In een arrest uit 2016 heeft de Hoge Raad overwogen dat het bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een RVU erom gaat of de uitkeringen of verstrekkingen zijn bedoeld om te dienen ter overbrugging of aanvulling van het inkomen van de (gewezen) werknemer tot de pensioendatum. De beweegredenen van de inhoudingsplichtige om zodanige uitkeringen aan te bieden doen niet ter zake. [31]
arrest van 22 juni 2018heeft de Hoge Raad aan het voorgaande toegevoegd dat, evenzeer als de beweegredenen van de inhoudingsplichtige, de intenties en keuzes van werknemers om voor de regeling te opteren niet ter zake doen bij beantwoording van de vraag of sprake is van een RVU. [32] Op de feitelijke uitstroom van werknemers en de hoogte van de feitelijk overeengekomen beëindigingsvergoedingen dient naar het oordeel van de Hoge Raad dus evenmin acht te worden geslagen, aangezien die factoren niet behoren tot ‘de objectieve kenmerken en voorwaarden van de regeling’. Vaststelling van de bedoeling van de regeling aan de hand van haar objectieve kenmerken en voorwaarden is, zo overwoog de Hoge Raad voorts, ook in overeenstemming met mogelijkheid om vooraf te doen beslissen of een regeling een RVU vormt.
Bewijslastrichtlijn) is geïmplementeerd. [37]
verdelingvan de bewijslast en niet ziet op een bepaald ‘bewijsminimum’ wat het middel erin lijkt te lezen.
NPB en VBM/ABPwerd in cassatie betoogd dat steeds met behulp van een cijfermatige onderbouwing moet worden aangetoond dat sprake is van een middel dat noodzakelijk is om het legitieme doel te bereiken. De Hoge Raad oordeelde dat die klacht in haar algemeenheid op een onjuiste rechtsopvatting berust: [41]
Subonderdeel 2.1betreft de overweging dat omdat [eiser] het door Martinair gestelde doel als zodanig heeft betwist, het hof van de legitimiteit van dit doel uitgaat. Volgens het middel is die redenering onnavolgbaar. Dat de ene partij een doel stelt en dat de andere partij dat doel niet als zodanig weerspreekt, maakt nog niet dat vaststaat dat dat doel legitiem is.
Subonderdeel 2.2betreft het oordeel in de slotzin van rov. 3.25. Geklaagd wordt dat het hof niet heeft kunnen vaststellen dat het beperkt blijven van de financiële gevolgen het doel (het via een vrijwillige vertrekregeling laten afvloeien van zoveel mogelijk piloten om gedwongen ontslagen te voorkomen) bewerkstelligt en aldus legitimeert. Volgens de klacht heeft Martinair nergens gesteld dat gedwongen ontslagen worden voorkomen als de financiële gevolgen beperkt blijven, en is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden dan wel heeft het een onbegrijpelijk oordeel gegeven door daarop de legitimiteit van het onderscheid te baseren.
Pleitnota
(…)
9. Hoewel Martinair zich niet kon verenigen met het standpunt van de Belastingdienst, is zij gelet op dit voor haar onaanvaardbare risico, in overleg getreden met de VNV. Ook VNV onderschreef dat de VVR er niet toe moest kunnen leiden dat Martinair bovenop de onderhandelde vrijwillige vertrek vergoeding, nog een boete zou moeten betalen. Na overleg werd voor het volgende overeengekomen: als een vertrekvergoeding op basis van het kwantitatieve besluit zou kwalificeren als RVU, dan zou de betreffende vlieger niet in aanmerking komen voor deelname aan de VVR. Wel werd dan aan de betreffende vliegers de mogelijkheid geboden om in te stemmen met een individuele vertrekregeling, tegen een lagere vergoeding. (…)
10. Na de VVR 2014 is nog een tweede vrijwillige vertrekregeling tot stand gekomen met de VNV, namelijk de VVR 2014-2015. Ook in deze nieuwe regeling gold dat de vlieger niet voor deelname in aanmerking kwam als op grond van de kwantitatieve toets sprake was van een RVU en dat er dan alleen een individuele mogelijkheid was om een regeling te treffen. (…) Gedwongen ontslagen waren op dat moment nog niet aan de orde en Martinair hoopte uiteraard dat dit ook niet nodig zou blijken.”
op basis van de kwantitatieve toetswerd aangemerkt als een RVU. Deelname aan de vertrekregeling stond daarom alleen open voor gevallen waarin de beëindigingsvergoeding niet dusdanig hoog was dat daarop de pseudo-eindheffing van 52% moest worden ingehouden. Door dit voorbehoud (dat Martinair was overeengekomen met pilotenvakbond VNV) konden dus binnen het budget dat Martinair beschikbaar had, méér werknemers van de VVR gebruik maken dan wanneer die voorwaarde niet zou zijn gehanteerd. Martinair heeft verder gesteld dat bij onvoldoende aanmeldingen voor de VVR zou zijn overgegaan tot gedwongen ontslag op basis van afspiegeling. [43]
per deelnemeraan de VVR lager. En omdat daardoor meer werknemers aan de VVR kunnen deelnemen, is aannemelijk dat dit gevolgen heeft voor het aantal gedwongen ontslagen dat nodig is: hoe meer werknemers al vertrokken zijn, hoe minder er alsnog ontslagen hoeven te worden. Anders dan het subonderdeel betoogt, bestaat er dus een verband tussen ‘de financiële gevolgen’ en het aantal gedwongen ontslagen. Als aan [eiser] bij zijn vertrek € 266.816,60 was betaald, had Martinair over dát bedrag de ‘RVU-boete’ betaald, zodat de totale kosten voor zijn vertrek hoger uit zouden komen. Dit ligt ook in de stellingen van Martinair besloten.
subonderdeel 2.1. Het oordeel van het hof dat het uitsluiten van de VVR 2014-2015 op grond van de kwantitatieve toets een legitiem doel dient, wordt immers zelfstandig gedragen door de laatste twee volzinnen van rov. 3.25, waarvan alleen de laatste, tevergeefs, in cassatie is bestreden. [44]
Subonderdeel 3.1klaagt dat het oordeel van het hof miskent dat het draait om de vraag of het uitsluiten van vliegers die aan de kwantitatieve toets voldeden, passend was voor het doel gedwongen ontslagen te voorkomen, door zoveel mogelijk vliegers via een vrijwillige vertrekregeling te laten vertrekken (rov. 3.25, derde volzin). Het hof heeft voor de toets van de passendheid een onjuiste maatstaf aangelegd.
had kunnenworden gesloten, doet mijns inziens evenmin ter zake bij beantwoording van de vraag of het in de VVR indirect gemaakte leeftijdsonderscheid objectief gerechtvaardigd is. Daarop zou het subonderdeel al moeten afstuiten.
niet het doelin strijd met andere wetgeving, het recht en de maatschappelijke betamelijkheid,
maar het gekozen middelwas dat wel. Het onderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat dit eraan in de weg staat dat het gemaakte onderscheid gerechtvaardigd is.
op basis van de kwantitatieve toetseen passend en noodzakelijk middel is om het legitieme doel te bereiken. Ik verwijs naar hetgeen ik zojuist heb opgemerkt bij de bespreking van onderdeel 3. Het hof heeft dit uitsluiten van de VVR 2014-2015 op basis van de kwantitatieve toets bij de toetsing van de objectieve gerechtvaardigdheid van het leeftijdsonderscheid als het middel tot uitgangspunt genomen (vgl. rov. 3.25 en 3.26). Dit uitgangspunt is in cassatie niet bestreden.