ECLI:NL:HR:2015:1831

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juli 2015
Publicatiedatum
9 juli 2015
Zaaknummer
14/01337
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt ongegrondverklaring cassatie tegen naheffingsaanslagen omzetbelasting

Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen naheffingsaanslagen omzetbelasting over de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 maart 2004. Na eerdere procedures, waarbij het arrest van het Gerechtshof Amsterdam werd vernietigd door de Hoge Raad en de zaak werd verwezen naar het Gerechtshof Den Haag, stelde belanghebbende opnieuw cassatieberoep in tegen het arrest van het Hof.

De Hoge Raad heeft de ingediende middelen beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot cassatie kunnen leiden. De zaak behoeft geen nadere motivering omdat de middelen geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen. Tevens heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen.

Het arrest is uitgesproken door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en het beroep in cassatie is ongegrond verklaard, waarmee het arrest van het Gerechtshof Den Haag in stand blijft.

Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende is ongegrond verklaard.

Uitspraak

10 juli 2015
Nr. 14/01337
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 31 januari 2014, nrs. BK‑13/00677 en BK-13/00678, betreffende aan belanghebbende over de periode 1 januari 2003 tot en met 31 maart 2004 opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting.

1.Het eerste geding in cassatie

De uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam is op het beroep van belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2013, nr. 10/00787, ECLI:NL:HR:2013:58, BNB 2013/210, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

2.Het tweede geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij twee middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2015.