Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Amsterdam,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
10 juli 2015.
Hoge Raad
In deze zaak heeft verzoeker cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dat zijn faillietverklaring bevestigde. De faillietverklaring was gebaseerd op de toestand van hebben opgehouden te betalen zoals bedoeld in artikel 6 lid 3 van Pro de Faillissementswet.
De Hoge Raad verwijst naar het vonnis van de rechtbank Gelderland en het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor het geding in feitelijke instanties. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep, waarop de advocaat van verzoeker heeft gereageerd.
De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en dat nadere motivering niet nodig is omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde zijn. Het beroep wordt derhalve verworpen.
De uitspraak bevestigt de toepassing van het pluraliteitsvereiste en het beginsel van paritas creditorum in faillissementszaken en onderstreept de terughoudendheid van de Hoge Raad bij het toetsen van feitelijke oordelen in cassatieprocedures.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de faillietverklaring blijft gehandhaafd.