ECLI:NL:HR:2015:1843

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juli 2015
Publicatiedatum
9 juli 2015
Zaaknummer
15/00383
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 3 Fw
Verwijzingen
4 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping beroep in cassatie tegen faillietverklaring wegens toestand van hebben opgehouden te betalen

In deze zaak heeft verzoeker cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dat zijn faillietverklaring bevestigde. De faillietverklaring was gebaseerd op de toestand van hebben opgehouden te betalen zoals bedoeld in artikel 6 lid 3 van Pro de Faillissementswet.

De Hoge Raad verwijst naar het vonnis van de rechtbank Gelderland en het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor het geding in feitelijke instanties. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep, waarop de advocaat van verzoeker heeft gereageerd.

De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en dat nadere motivering niet nodig is omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde zijn. Het beroep wordt derhalve verworpen.

De uitspraak bevestigt de toepassing van het pluraliteitsvereiste en het beginsel van paritas creditorum in faillissementszaken en onderstreept de terughoudendheid van de Hoge Raad bij het toetsen van feitelijke oordelen in cassatieprocedures.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de faillietverklaring blijft gehandhaafd.

Uitspraak

10 juli 2015
Eerste Kamer
nr. 15/00383
EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. J.H.M. van Swaaij,
t e g e n
DEUTSCHE BANK NEDERLAND N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en Deutsche Bank.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak met insolventienummer C/05/14/1133 F van de rechtbank Gelderland van 25 november 2014;
b. het arrest in de zaak 200.160.562 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 januari 2015.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Deutsche Bank heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [verzoeker] heeft bij brief van 22 mei 2015 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. Drion en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
10 juli 2015.