Conclusie
1.Procesverloop
primairnu [verweerster] zowel een vordering van [verzoekster] ad ruim € 2 miljoen als andere vorderingen onbetaald laat,
subsdiair– in geval geen sprake is van een steunvordering – op grond van andere bijkomende omstandigheden (o.m. de grootte van de vordering, frustratie van verhaal door [verweerster]).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen” (art. 1 lid 1 Fw Pro) respectievelijk of “summierlijk blijkt van het bestaan van feiten of omstandigheden, welke aantonen, dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, en, zo een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze.” (art. 6 lid 3 Fw Pro). Uit het woord ‘toestand’ valt af te leiden dat sprake moet zijn van enige bestendigheid van het niet-betalen. Het woord ‘summierlijk’ duidt erop dat de bedoelde toestand en de vordering van de aanvrager uit een eenvoudig onderzoek moeten blijken.
nimmervoldoende kan zijn tot het uitspreken der faillietverklaring, werd reeds bestreden door Mr. C. D. Asser c.s.
Wetb. V. Koophandel met aanteekeningen, 2de uitgave, bl. 309.” [14]
ophoudenmet betalen. Of deze feitelijke toestand aanwezig is, heeft in ieder geval de rechter te beoordelen. Eene
verplichtingom ter zake van niet-betaling van ééne schuld de faillietverklaring uit te spraken, bestaat in het minst niet.” [Vgl. p. 17 MvT.]
pluraliteit van schuldeisers,waarbij ten minste één van de vorderingen opeisbaar moet zijn. Dit zogenoemde pluraliteitsvereiste weet zich tot op heden stevig verankerd in de (feiten)rechtspraak. Ik geef een kort overzicht. [18]
noodzakelijke, maar niet een
voldoendevoorwaarde is: ook als aan het pluraliteitsvereiste is voldaan, dient nog te worden onderzocht of de schuldenaar verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen. [28]
ex nuncmoet plaatsvinden. [31]
rechtvaardigingvan het stellen van het – door Wessels ook naar huidige maatstaven expliciet als ‘wenselijk’ gekwalificeerde – pluraliteitsvereiste wordt, overeenkomstig de rechtspraak van Uw Raad, verwezen naar het stelsel van de wet en het doel van het faillissement om het vermogen van de schuldenaar via een gerechtelijk beslag ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers te verdelen [39] , zulks ter voorkoming van verstoringen van de paritas creditorum die zouden kunnen intreden indien iedere schuldeiser voor zich tot executie van afzonderlijke vermogensbestanddelen zou overgaan. [40]
de factomeestal uitsluitend ten behoeve van één preferente crediteur wordt afgewikkeld. Voorts is erop gewezen dat binnen het faillissementsrecht maatschappelijke belangen (zoals fraudebestrijding, behoud van ondernemingsactiviteit en werkgelegenheid en het op een verantwoorde wijze uit het economisch verkeer verwijderen van rechtspersonen die niet meer aan hun verplichtingen voldoen) steeds meer terrein winnen en/of zouden moeten prevaleren. [41]
voordeelvan het stellen van het pluraliteitsvereiste wordt genoemd dat de schuldenaar een eenvoudig verweermiddel tegen een verzoek tot faillietverklaring wordt gegeven: de aanvrager zal bij tegenspraak aannemelijk moeten maken dat de schuldenaar ook andere schulden heeft. [44]
bezwarentegen het pluraliteitsvereiste genoemd, waarbij grofweg kan worden onderscheiden tussen enerzijds het (inhoudelijke) bezwaar dat een faillissement niet uitsluitend zou moeten openstaan indien de schuldenaar meer dan één schuldeiser heeft, en anderzijds bezwaren tegen de bewijsproblematiek bij het aandragen van steunvorderingen. Samengevat luiden deze bezwaren als volgt.
insolvente schuldenaren met slechts één schuld. Zij worden onbillijk bevoordeeld door hen wegens het gemis van andere schulden tegen faillissement beveiligd te achten. De individuele crediteur heeft niet steeds toereikende verhaalsbevoegdheden. [45] Indien het al lukt om beslagobjecten te vinden, heeft de individuele beslaglegger geen gereedschap om activa in de boedel (terug) te brengen. [46]
bijzondere bevoegdheden van de curatoren
andere rechtsgevolgen van het faillissementniet tegen de schuldenaar kunnen worden ingeroepen. Te denken valt aan het opvorderen van de administratie (art. 92 Fw Pro), het zich verschaffen van toegang (art. 93a Fw), het openen van post (art. 99 Fw Pro), de inlichtingenplicht (art. 105 en Pro 106 Fw), de faillissementspauliana (art. 42 en Pro 47 Fw), bestuurdersaansprakelijkheid (art. 2:138/248 BW), etc. Aanwending resp. toepasselijkheid daarvan moet ook mogelijk zijn indien er slechts één schuldeiser is. [47]
vinden [48] ,laat staan te
bewijzen. [49]
hardvochtige c.q. frustrerendeeis wanneer de betalingsonmacht of -onwil duidelijk blijkt, maar de aanvrager geen andere schulden kan opgeven en het bestaan van meerdere schulden door de schuldenaar wordt ontkend [50] of deze er zorg voor draagt alle andere schuldeisers dan juist de aanvrager te betalen. [51]
misbruikin de hand: de schuldenaar kan het bestaan van schulden tegen beter weten in ontkennen [52] of zijn vermogen buiten het zicht houden en overigens al zijn schulden (al dan niet net voor de zitting) betalen. [53]
andere landenwaarin eisen worden gesteld vergelijkbaar met de toestand van hebben opgehouden te betalen wordt niet het pluraliteitsvereiste gesteld. Verwezen wordt o.m. naar België, Frankrijk, Duitsland, Engeland en de Verenigde Staten. [54]
ervaringsfeitdat een schuldenaar in werkelijkheid toch wel
meer dan één schuldeiserpleegt te hebben (fiscus, nutsbedrijven, telecommunicatie) wordt door zowel de voor- als tegenstanders van het pluraliteitsvereiste naar voren gebracht, door de eersten ten betoge dat steunvorderingen – gelet op de lichte eisen die de rechtspraak stelt – in de praktijk aantoonbaar zullen zijn [55] , door de laatsten ten betoge dat het aannemelijk maken van een steunvordering aldus een overbodige althans gekunstelde c.q. willekeurige exercitie is. [56]
Voorontwerp Insolventiewet [58] hield plannen in voor een grondige herziening van het insolventierecht. Volgens het Voorontwerp strekt de unitaire insolventieprocedure tot tegeldemaking van het vermogen van de schuldenaar en verdeling van de opbrengst onder de gezamenlijke schuldeisers of tot sanering van schulden (art. 1.1.2). Insolventverklaring kan worden verzocht op de grond dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen of redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn opeisbare schulden (art. 2.2.1). De Commissie heeft zich afgevraagd of het pluraliteitsvereiste moet worden losgelaten, maar was van oordeel dat dit van belang blijft met name bij de aanvraag van insolventie door een schuldeiser op grond van het ‘toestand’-criterium. [59] In 2009 heeft de Minister laten weten dat geen ruimte bestond om dit omvangrijke wetgevingsproject ter hand te nemen. [60]
Voorstellen tot wijzigingen Faillissementswetvan de Commissie INSOLAD van 13 december 2012. [62] Daarin wordt voorgesteld art. 6 Fw Pro aldus aan te passen dat het pluraliteitsvereiste komt te vervallen. [63] Volgens de toelichting wordt het pluraliteitsvereiste niet door de Faillissementswet gesteld, kan het evenmin worden gelezen in de wetsgeschiedenis en is de door de Hoge Raad in een lange reeks van uitspraken gehanteerde uitleg van het begrip ‘toestand van opgehouden hebben te betalen’ niet vanzelfsprekend. In dat verband wordt verwezen naar het Franse, Duitse en Amerikaanse recht, waarin uit vergelijkbare begrippen niet de pluraliteitseis wordt afgeleid. Volgens INSOLAD zou de mogelijkheid tot het kunnen doen openen van een faillissement ook moeten openstaan indien er slechts één schuldeiser is:
Herijking Faillissementsrecht [65] aangekondigd. Dat programma berust op drie pijlers: (1) bestrijding van faillissementsfraude, (2) versterking reorganiserend vermogen van bedrijven (Wet continuïteit ondernemingen I, II en III), en (3) modernisering faillissementsprocedures.
Wet versterking positie curator(pijler 1) wordt door de wetgever tot uitgangspunt genomen dat de kerntaak van de curator is gelegen in het beheer en de vereffening van de failliete boedel (art. 68 Fw Pro) met als uiteindelijk doel de eventuele opbrengst onder de schuldeisers te verdelen. De curator verricht zijn taak vooral ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers in het streven voor hen een zo groot mogelijk boedelactief te genereren, zij het dat hij in zijn beleidsafwegingen ook belangen van maatschappelijke aard mag betrekken. Het primaat ligt echter bij een zodanige afwikkeling dat alle betrokken belangen overeenkomstig ieders rechtmatige aanspraak worden behartigd. Het wetsvoorstel tast die kerntaak niet aan: de curator is en blijft vooral beheerder en vereffenaar van de boedel ten behoeve van de gezamenlijke crediteuren. De taak van de curator om onregelmatigheden rondom een faillissement te traceren en redresseren ligt in het verlengde van zijn primaire taak om de belangen van de gezamenlijke crediteuren te behartigen, aldus de toelichting. [66]
Wet continuïteit ondernemingen I(pijler 2), waarin de zgn. ‘pre-pack’ wordt geregeld, is vermeld dat het niet de bedoeling is om af te wijken van de lijn dat de faillissementsprocedure primair is gericht op de vereffening van het vermogen van de schuldenaar ten behoeve van zijn gezamenlijke schuldeisers en dat het meewegen van maatschappelijke belangen bij zijn taakuitoefening door de curator volgens vaste jurisprudentie niet betekent dat deze – waar sprake is van conflicterende belangen – voorrang zouden mogen krijgen op de belangen van de gezamenlijke schuldeisers. Ook tijdens de stille voorbereidingsfase moet de beoogd curator er op toe zien dat de belangen van maatschappelijke aard niet gaan prevaleren boven die van de gezamenlijke schuldeisers, aldus de toelichting. [67]
Wet modernisering faillissementsprocedure(pijler 3), die tot doel heeft te komen tot een efficiëntere en transparantere faillissementsprocedure, waarbinnen de curator zijn taken als beheerder en vereffenaar van de failliete boedel eenvoudiger en doelmatiger kan uitoefenen, e.e.a. met als beoogd eindresultaat om faillissementen sneller te kunnen afwikkelen en de opbrengst voor schuldeisers te verhogen. Het voorontwerp gaat niet in op het pluraliteitsvereiste; dit staat in feite ook enigszins naast het doel van de wet. [69] INSOLAD heeft in haar reactie onder meer gewezen op haar voornoemde voorstel en advies van 13 december 2012 om meerdere wetsartikelen te wijzigen op punten die zeer waarschijnlijk niet controversieel zijn. [70] De overige reacties gaan niet in op het pluraliteitsvereiste. Bij brief d.d. 4 juli 2016 heeft de Minister opgemerkt dat naar aanleiding van de reacties een aantal punten nog nader zal worden bekeken; afschaffing van het pluraliteitsvereiste wordt daarbij niet genoemd. [71] Ambtshalve is mij bekend dat in het voorstel dat de Minister onlangs ter advisering aan de Raad van State heeft gestuurd niet wordt ingegaan op mogelijke afschaffing van het pluraliteitsvereiste.
formeelonverminderd zijn gelegen in verdeling van het vermogen van de schuldenaar ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers. Dat volgt niet alleen uit het feit dat de formele doelstelling van het faillissement – zoals verwoord in de toelichting op de huidige Faillissementswet en tot uitdrukking komend in art. 68 lid 1 Fw Pro – niet is aangepast, maar tevens uit het feit dat ook in het kader van recente (voorgestelde) wetswijzigingen op onderdelen door de wetgever telkenmale is en wordt benadrukt dat de taak van de curator geacht wordt primair te zijn gericht op behartiging van de belangen van de gezamenlijke schuldeisers.
in de praktijkvan die doelstelling vaak niet veel terecht komt. Gewezen kan worden op de problematiek van de faillissementen met geen althans (zeer) weinig boedelactief. In veel gevallen vindt opheffing plaats (art. 16 Fw Pro) [73] en waar (vereenvoudigde) afwikkeling plaatsvindt, is dit vaak ten behoeve van boedelschuldeisers of één preferente schuldeiser. [74]
bewijsproblemen kan opzadelen: van de aanvrager kan worden gevergd zich de nodige inspanningen te getroosten teneinde het optuigen van een ingrijpende en kostbare procedure in gang te zetten.
daadwerkelijkslechts sprake is van één onbetaalde crediteur, en wel meer in het bijzonder indien (omdat) de schuldenaar tot betaling van zijn overige schuldeisers is overgegaan. [80] Daarbij mag niet uit het oog worden verloren dat het betalen van andere schuldeisers in de regel niet ongeoorloofd is – ook niet in een faillissementssituatie [81] – en nu juist meebrengt dat voor een zwaar opgetuigde verhaalsprocedure geen grond bestaat. Voor zover het selectieve betalingsgedrag van de schuldenaar zou moeten worden aangemerkt als misbruik van het pluraliteitsvereiste, geldt mutatis mutandis hetgeen ik hiervoor schreef naar aanleiding van het argument dat het doel van de faillietverklaring niet steeds wordt gehaald: de enkele omstandigheid dat een regel wordt of kan worden misbruikt, is m.i. geen reden om deze af te schaffen. Het is voorts niet duidelijk hoe groot de omvang van dit probleem is.
onderdelen A en Cgeen doel treffen.
partijen er niet over van mening verschillendat
in het onderhavige geval niet aan het pluraliteitsvereiste is voldaan.De klacht berust op de lezing dat het hof uit de stellingen van [verzoekster] heeft afgeleid dat zij “van mening” is dat zij de enige schuldeiseres
is; dit zou onbegrijpelijk zijn omdat zij slechts niet in staat is gebleken het bestaan van andere schuldeisers
aannemelijkte maken.
“pluraliteit van schuldeisers niet is gebleken.”[verzoekster] heeft tegen dit oordeel geen grief gericht, doch zich (ook naar ’s hofs vaststelling, rov. 2) op het standpunt gesteld dat ook bij het ontbreken van pluraliteit sprake kan zijn van de toestand van te hebben opgehouden te betalen. [90] Voorts heeft het hof vastgesteld dat volgens [verweerster] niet voldaan is aan het pluraliteitsvereiste (rov. 3). De aangevallen overweging moet dan ook zo worden gelezen dat partijen er niet over van mening verschillen dat
niet (summierlijk) is gebleken van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat [verweerster] een of meer andere schuldeisers onbetaald laat.Daarmee zijn zij het erover eens dat niet aan het pluraliteitsvereiste is voldaan. Onderdeel B faalt.