Belanghebbende heeft in 2007 en 2008 aangiften gedaan voor digitale mediaspelers, aangeduid als 'screenplays', die werden ingedeeld onder post 8471 70 50 van de Gecombineerde Nomenclatuur (GN), waarvoor geen douanerechten gelden. De douane stelde echter dat deze apparaten als videoweergaveapparaten onder post 8521 90 00 vallen, met een tarief van 13,9%.
Het Hof heeft geoordeeld dat de screenplays zowel als harde schijfeenheden als videoweergaveapparaten kunnen worden ingedeeld, maar dat de hoofdfunctie het afspelen van multimediabestanden op een televisie is. Het beroep van belanghebbende op de Information Technology Agreement (ITA) om vrijstelling van douanerechten te verkrijgen, werd door het Hof verworpen omdat de screenplays niet onder de ITA vallen.
De Hoge Raad stelt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de uitleg van de GN en de ITA, met name of de screenplays als harde schijfeenheden onder post 8471 moeten worden ingedeeld ondanks hun videoweergavefunctie, en of zij onder post 8521 kunnen worden ingedeeld als videoweergaveapparaten wanneer die functie de hoofdfunctie is. Het geding is geschorst in afwachting van het arrest van het HvJ-EU.