ECLI:NL:HR:2015:247

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 februari 2015
Publicatiedatum
5 februari 2015
Zaaknummer
14/04182
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie in het belang der wet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 406 Sv
Verwijzingen
7 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperking hoger beroep door OvJ tegen beslissing opheffing voorlopige hechtenis

In deze cassatie in het belang der wet heeft de Hoge Raad geoordeeld over de ontvankelijkheid van het hoger beroep van het Openbaar Ministerie tegen een beslissing tot opheffing van voorlopige hechtenis. Het Gerechtshof had het OM ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank tot opheffing van de voorlopige hechtenis en vervolgens het beroep afgewezen.

De Hoge Raad stelt vast dat op grond van artikel 406 van Pro het Wetboek van Strafvordering hoger beroep tegen tussenvonnissen die geen einduitspraak zijn, slechts gelijktijdig met het hoger beroep tegen de einduitspraak is toegestaan. De uitzondering in het tweede lid van artikel 406 Sv Pro is beperkt tot bevelen tot gevangenhouding of gevangenneming en de afwijzing van verzoeken tot opheffing daarvan.

Daarom is het hoger beroep van het OM tegen de ter terechtzitting gegeven beslissing tot opheffing van de voorlopige hechtenis niet afzonderlijk ontvankelijk. Het middel van het OM slaagt en de bestreden beschikking van het Hof wordt vernietigd. Dit arrest verduidelijkt de reikwijdte van de mogelijkheid tot hoger beroep door het OM in voorlopige hechteniszaken.

Uitkomst: Het hoger beroep van het Openbaar Ministerie tegen de beslissing tot opheffing van voorlopige hechtenis is niet afzonderlijk ontvankelijk en de bestreden beschikking wordt vernietigd.

Uitspraak

10 februari 2015
Strafkamer
nr. S 14/04182 CW
SB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie in het belang van de wet van de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden tegen een beschikking van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, nummer AVNR. 000750-13, van 11 juli 2013 in de zaak van:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986.

1.De bestreden beschikking

Bij de bestreden beschikking heeft het Hof het Openbaar Ministerie ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen de ter terechtzitting gegeven beslissing van de Rechtbank Oost-Brabant strekkende tot opheffing van de voorlopige hechtenis en vervolgens dat beroep afgewezen.

2.Het cassatieberoep

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft beroep in cassatie in het belang van de wet ingesteld. De voordracht tot cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De vordering strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking.

3.Beoordeling van het middel

3.1.
Het middel klaagt dat het oordeel van het Hof dat het Openbaar Ministerie afzonderlijk appel kan instellen tegen een ter terechtzitting gegeven beslissing tot toewijzing van een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
3.2.
Ingevolge het eerste lid van art. 406 Sv Pro is tegen in eerste aanleg gewezen vonnissen die geen einduitspraken zijn, hoger beroep slechts gelijktijdig met dat tegen de einduitspraak toegelaten. In het tweede lid van art. 406 Sv Pro is voorzien in een uitzondering op die hoofdregel. Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6526, NJ 2013/230 moet worden aangenomen dat de in het tweede lid van art. 406 Sv Pro voorziene uitzondering op die hoofdregel is beperkt tot de in dat tweede lid uitdrukkelijk genoemde gevallen, te weten een bevel tot gevangenhouding of gevangenneming en de afwijzing van een verzoek tot opheffing van het bevel tot gevangenhouding of gevangenneming. Dit betekent dat voor de officier van justitie tegen een ter terechtzitting gegeven beslissing tot toewijzing van een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis hoger beroep slechts gelijktijdig met dat tegen de einduitspraak openstaat.
Het Hof heeft het Openbaar Ministerie derhalve ten onrechte ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
3.3.
Het middel slaagt.

4.Slotsom

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

5.Beslissing

De Hoge Raad vernietigt in het belang van de wet de bestreden beschikking.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, de vice-president W.A.M. van Schendel, de raadsheren J.P. Balkema, Y. Buruma en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
10 februari 2015.