Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
8 september 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin de aanvrager was veroordeeld voor mishandeling en verkrachting. Het hof had de aanvrager veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van elf maanden en een schadevergoedingsmaatregel aan de benadeelde partij.
De aanvraag tot herziening richtte zich uitsluitend op het feit van verkrachting en berustte op nieuwe verklaringen van getuigen die stelden dat de vermeende benadeelde was teruggekomen op haar eerdere verklaring die als bewijsmiddel was gebruikt. De aanvrager stelde dat dit nieuwe bewijs tot vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging zou moeten leiden.
De Hoge Raad overwoog dat voor een herziening aannemelijk gemaakt moet worden dat getuigen op belastende verklaringen terugkomen en dat dit voldoende gemotiveerd moet zijn. De nieuwe verklaringen gaven echter geen redenen waarom de eerdere verklaring onjuist zou zijn, zodat geen ernstig vermoeden van onjuistheid bestond.
Daarom werd de aanvraag tot herziening afgewezen en werd ook het verzoek tot nader onderzoek niet ingewilligd. De uitspraak werd gedaan door de strafkamer van de Hoge Raad op 8 september 2015.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af wegens onvoldoende nieuw bewijs.