Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
15 september 2015.
Hoge Raad
De betrokkene stelde cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof had het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een te hoog bedrag door een kennelijke misslag in de totaaltelling van de post "Andere uitgaven".
De Hoge Raad oordeelde dat het hof het bedrag van fl. 1.658.021,78 onjuist had vastgesteld in plaats van fl. 1.495.051,69, waardoor het totaalbedrag te hoog was. Na correctie stelde de Hoge Raad het totaalbedrag vast op fl. 1.824.766,21 (€ 828.042,69) en bracht daarop een korting aan wegens overschrijding van de redelijke termijn, wat resulteerde in een betalingsverplichting van afgerond € 813.000.
De Hoge Raad benadrukte dat een kennelijke misslag bij uitstek door het hof zelf hersteld kan worden, omdat het een onmiddellijk kenbare fout betreft die eenvoudig te corrigeren is. De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor zover het de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting betreft en stelde deze bedragen zelf vast.
Het beroep werd voor het overige verworpen, waarmee de Hoge Raad duidelijkheid verschaft over de correcte berekening en betalingsverplichting in deze zaak.
Uitkomst: De Hoge Raad stelde het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 828.042,69 en de betalingsverplichting op € 813.000.