ECLI:NL:HR:2015:2634

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 september 2015
Publicatiedatum
15 september 2015
Zaaknummer
14/00665
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 440 SvArt. 36 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad corrigeert kennelijke misslag bij berekening ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel

De betrokkene stelde cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof had het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een te hoog bedrag door een kennelijke misslag in de totaaltelling van de post "Andere uitgaven".

De Hoge Raad oordeelde dat het hof het bedrag van fl. 1.658.021,78 onjuist had vastgesteld in plaats van fl. 1.495.051,69, waardoor het totaalbedrag te hoog was. Na correctie stelde de Hoge Raad het totaalbedrag vast op fl. 1.824.766,21 (€ 828.042,69) en bracht daarop een korting aan wegens overschrijding van de redelijke termijn, wat resulteerde in een betalingsverplichting van afgerond € 813.000.

De Hoge Raad benadrukte dat een kennelijke misslag bij uitstek door het hof zelf hersteld kan worden, omdat het een onmiddellijk kenbare fout betreft die eenvoudig te corrigeren is. De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor zover het de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting betreft en stelde deze bedragen zelf vast.

Het beroep werd voor het overige verworpen, waarmee de Hoge Raad duidelijkheid verschaft over de correcte berekening en betalingsverplichting in deze zaak.

Uitkomst: De Hoge Raad stelde het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 828.042,69 en de betalingsverplichting op € 813.000.

Uitspraak

15 september 2015
Strafkamer
nr. S 14/00665 P
EC/ARA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 22 januari 2014, nummer 23/004456-10, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel en van de opgelegde betalingsverplichting en tot zodanige op art. 440 Sv Pro gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
Het middel klaagt dat het Hof als gevolg van een misslag het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel onjuist heeft berekend.
2.2.
Het middel is terecht voorgesteld. Het Hof heeft bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel als gevolg van een kennelijke misslag het totaal van de onder de post "Andere uitgaven" weergegeven bedragen vastgesteld op een bedrag van fl. 1.658.021,78 in plaats van fl. 1.495.051,69, zodat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat te hoog is vastgesteld. Na correctie van deze misslag leidt de totaaltelling van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel tot een bedrag van fl. 1.824.766,21 (omgerekend € 828.042,69). Blijkens de bestreden uitspraak dient op dit bedrag € 15.000,- in mindering te worden gebracht wegens overschrijding van de redelijke termijn. Dit leidt tot een totaaltelling van afgerond € 813.000,-.
De Hoge Raad zal de schatting van het totale bedrag en de daaruit voor de betrokkene voortvloeiende verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre verbeteren.
2.3.
Opmerking verdient het volgende. Een kennelijke misslag als de onderhavige leent zich bij uitstek voor herstel door het Hof zelf. Het gaat immers om een onmiddellijk kenbare fout die zich voor eenvoudig herstel leent door de rechter(s) die op de zaak heeft/hebben gezeten overeenkomstig hetgeen de Hoge Raad heeft beslist in zijn arresten van 6 juli 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BJ7243, NJ 2012/248) en 12 juni 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW1478, NJ 2012/490). Deze wijze van herstel verdient de voorkeur, omdat daardoor ondubbelzinnig - en op kortere termijn - duidelijkheid komt te bestaan omtrent de voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing.

3.Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting;
stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 828.042,69;
legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 813.000,-;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
15 september 2015.