Uitspraak
1.Procesgang en bestreden beschikking
2.Het cassatieberoep
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
22 september 2015.
Hoge Raad
In deze zaak oordeelt de Hoge Raad over de vraag of de behandeling van een ontnemingsvordering tot wederrechtelijk verkregen voordeel als een zelfstandige zaak moet worden beschouwd in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering, wat gevolgen heeft voor de vergoeding van kosten voor rechtsbijstand.
De betrokkene was veroordeeld voor medeplegen van cocaïnetransporten en later werd een ontnemingsvordering ingesteld. Na vernietiging van de ontnemingsvordering door het hof, verzocht de betrokkene vergoeding van gemaakte kosten voor rechtsbijstand in de ontnemingsprocedure. Het hof verklaarde dit verzoek niet-ontvankelijk, stellende dat de ontnemingsprocedure een voortzetting is van de strafzaak en dus niet als een aparte zaak geldt.
De Hoge Raad bevestigt het eerdere arrest uit 2001 waarin werd geoordeeld dat de ontnemingsprocedure geen zelfstandige zaak vormt in de zin van artikel 591a Sv. De Hoge Raad ziet geen reden deze uitleg te herzien, mede gelet op de wetssystematiek en de aangekondigde herziening van het Wetboek van Strafvordering. Wel merkt de Hoge Raad op dat als de strafzaak zonder oplegging van straf eindigt, de ontnemingsprocedure wel als zelfstandige zaak kan worden aangemerkt, wat vergoeding van kosten mogelijk maakt.
Het beroep in cassatie wordt verworpen, waarmee de niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek tot vergoeding van rechtsbijstandskosten in de ontnemingsprocedure standhoudt.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt dat geen vergoeding van rechtsbijstandskosten in de ontnemingsprocedure wordt toegekend.