Conclusie
“Gelet op het bepaalde in het arrest van de Hoge Raad van 8 mei 2001, NJ 2001, 509, overweegt het hof dat er geen wettelijke grondslag bestaat om de behandeling van de ontnemingsvordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aan te merken als een afzonderlijke, van de hoofdzaak te onderscheiden, zaak in de betekenis die aan de term ‘zaak’ toekomt conform artikel 591a, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. De procedure naar aanleiding van een ontnemingsvordering dient te worden aangemerkt als een voortzetting van de vervolging in de hoofdzaak. Het staat het hof niet vrij zonder wettelijke grondslag hiervan af te wijken; ook niet op grond van de omstandigheid dat bij het afdoen van de strafzaak door de rechter in eerste aanleg de verzoeker is vrijgesproken van het feit waarop de ontnemingsvordering betrekking had.
De verzoeker dient derhalve niet-ontvankelijk in het verzoek te worden verklaard.”
De betrokkene verzoekt vervolgens om toekenning van een vergoeding van de door hem in het kader van de ontnemingsprocedure gemaakte kosten van onderzoek en rechtsbijstand. In hoger beroep overweegt het hof dat de wetgever heeft gekozen voor een systeem van twee gescheiden procedures, waarbij de voordeelsontneming moet worden gezien als een aparte, van de hoofdzaak afgescheiden procesgang. Het recht op vergoeding in de ontnemingszaak is volgens het hof niet afhankelijk van de uitkomst van de strafzaak, maar van de uitkomst van de ontnemingsprocedure als zodanig. Nu de ontnemingszaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en er gronden van billijkheid aanwezig zijn voor het toekennen van schadevergoeding, wijst het hof het verzoek toe.
“De in art. 36e Sr bedoelde maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan ingevolge die wetsbepaling slechts worden opgelegd bij een veroordeling wegens een of meer strafbare feiten. De maatregel maakt aldus onderdeel uit van het sanctiepakket dat in de strafzaak aan de rechter ter beschikking staat. Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 26 oktober 1999, NJ 2000, 56, heeft geoordeeld moet, in het geval de officier van justitie overeenkomstig art. 311, eerste lid, Sv ter gelegenheid van zijn requisitoir in de hoofdzaak aan de verdachte zijn voornemen tot het aanhangig maken van een vordering als bedoeld in art. 36e Sr kenbaar heeft gemaakt, dan wel dit, zoals in de onderhavige zaak, reeds eerder aan de verdachte was gebleken, de procedure naar aanleiding van die vordering worden aangemerkt als een voortzetting van de vervolging in de hoofdzaak.
Dit alles leidt, in aanmerking genomen dat art. 591a Sv ertoe strekt te voorzien in een kostenvergoeding ten behoeve van een gewezen verdachte indien de tegen hem ingestelde vervolging is geëindigd als in dat artikel bedoeld, tot de conclusie dat de officier van justitie door het aanhangig maken van een vordering tot oplegging van bedoelde maatregel aan degene die in de hoofdzaak is veroordeeld niet een (afzonderlijke) zaak als bedoeld in art. 591a, eerste en tweede lid, Sv, aanhangig maakt.”
“Afgezien van de gevallen waarin de zaak eindigt in een veroordeling tot een straf of maatregel of in de toepassing van art. 9a Sr, en waarin aldus is komen vast te staan dat de gewezen verdachte de aandacht van de justitiële autoriteiten — en het maken van kosten voor een raadsman — aan zichzelf te wijten heeft, kan uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 591a Sv niet worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd de mogelijkheid tot toekenning van een dergelijke vergoeding te binden aan strikte grenzen wat betreft de fase van het strafproces waarin de kosten van een raadsman in de geëindigde strafzaak zijn gemaakt of wat betreft de aard van de met die zaak rechtstreeks verband houdende juridische procedure.”
“Gelet op voornoemde vrijspraak in de hoofdzaak verzet de in art. 6, tweede lid, van het EVRM verwoorde onschuldpresumptie zich tegen het ontnemen van voordeel dat door die feiten (telen etc.) zou zijn verkregen.
De rechtbank acht – gelet op het vorenstaande – gronden van billijkheid aanwezig om aan verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de ten behoeve van de ontnemingsprocedure gemaakte kosten van zijn raadsvrouw.”
Schending dan wel verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van art. 591a Sv, en/of verzuim van vormen doordat het Hof te ’s-Gravenhage ten onrechte verzoeker, die is vrijgesproken van het feit waarop de ontnemingsvordering betrekking had, niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn verzoek om vergoeding van kosten voor rechtsbijstand in zijn ontnemingszaak op de grond dat de behandeling van de ontnemingsvordering niet kan worden aangemerkt als een afzonderlijke, van de hoofdzaak te onderscheiden zaak in de zin van art. 591a, eerste en tweede lid, Sv.