Belanghebbende, een Nederlandse rijnvarende die in 2009 werkzaam was op een binnenvaartschip, verzocht om vrijstelling van premie volksverzekeringen over de periode 24 juli tot 31 december 2009. Hij was in dat jaar eerst in dienst bij een Luxemburgse werkgever en later bij een Cypriotische werkgever, terwijl het schip eigendom was van een Nederlandse BV. De Inspecteur weigerde de vrijstelling voor de genoemde periode.
Het geschil betrof de vraag of het Rijnvarendenverdrag ook vanaf 1 oktober 2009 van toepassing was, ondanks dat Cyprus geen partij is bij dat verdrag, en of de Luxemburgse E106-verklaring de premieheffing in Nederland uitsloot. Het Hof oordeelde dat het Rijnvarendenverdrag van toepassing bleef en dat Nederland premieplichtig was, omdat het schip werd geëxploiteerd voor rekening van de Nederlandse BV.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp de cassatiemiddelen die stelden dat de Verordening (EEG) 1408/71 en de E106-verklaring doorslaggevend zouden zijn. De Hoge Raad volgde het arrest van het Hof van Justitie van de EU en stelde dat de toepasselijkheid van het Rijnvarendenverdrag de toepassing van de Verordening uitsluit. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.