Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
6 oktober 2015.
Hoge Raad
De aanvrager heeft een verzoek tot herziening ingediend tegen een vonnis van de Politierechter te Groningen, waarin hij werd veroordeeld voor diefstal met gebruik van valse sleutels. De veroordeling bestond uit een gevangenisstraf van drie weken, waarvan twee voorwaardelijk, en een taakstraf.
De aanvraag tot herziening was gebaseerd op een brief van de aangever waarin deze zou zijn teruggekomen op zijn eerdere aangifte. De Hoge Raad stelt dat voor een herziening een nieuw, door bescheiden gestaafd gegeven vereist is dat een ernstig vermoeden wekt dat het oorspronkelijke onderzoek tot een andere uitkomst had geleid.
De brief van de aangever leverde onvoldoende grond op om aan te nemen dat de eerdere verklaring onjuist was. Bovendien dateerde de brief van vóór de zitting van de Politierechter, zonder uitleg waarom deze niet eerder was ingebracht. De Hoge Raad concludeert dat de aanvraag kennelijk ongegrond is en wijst deze af.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af wegens onvoldoende nieuw bewijs.