De zaak betreft een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over het jaar 2001 opgelegd aan de erven van erflater die participaties hield in een beleggingsfonds op de Britse Maagdeneilanden en een beleggingsverzekering bij een Luxemburgse verzekeraar. Erflater had deze buitenlandse beleggingen niet volledig aangegeven.
Na een inval bij de vermogensbeheerder in Nederland en het verkrijgen van gegevens door de Belastingdienst, legde de Inspecteur een navorderingsaanslag op met toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, AWR. Het Gerechtshof oordeelde dat het vermogen als buitenlands moest worden aangemerkt en dat de verlengde navorderingstermijn terecht was toegepast.
De erven stelden in cassatie dat het beheer van de beleggingen in Nederland plaatsvond en dat daardoor de verlengde navorderingstermijn niet van toepassing zou zijn. De Hoge Raad verwierp dit verweer en bevestigde dat het enkele feit dat het beheer in Nederland plaatsvindt niet aan toepassing van de verlengde navorderingstermijn in de weg staat.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en wees de proceskostenveroordeling af.