Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
13 oktober 2015.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de verdachte cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin hij bij verstek was veroordeeld. Het geschil betrof onder meer de vraag of het Hof terecht had afgezien van het horen van een niet verschenen getuige zonder uitdrukkelijke toestemming van de verdediging en de Advocaat-Generaal.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie (HR 19 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD2182) en bevestigt dat het Hof op grond van art. 331, tweede lid, Sv ook zonder toestemming van de verdachte mag besluiten af te zien van een nadere oproeping van een niet verschenen getuige. Klacht van de verdachte hierover faalt dan ook.
Daarnaast constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro is overschreden, wat leidt tot een ambtshalve vermindering van de opgelegde geldboete en de duur van de vervangende hechtenis. De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest uitsluitend voor zover het de hoogte van de geldboete en de duur van de hechtenis betreft en vermindert deze.
De rest van het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee het Hof het overige in stand houdt. Hiermee wordt bevestigd dat het procesrechtelijk afzien van het horen van een niet verschenen getuige zonder toestemming toelaatbaar is en dat termijnoverschrijding kan leiden tot strafvermindering.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt het afzien van het horen van een niet verschenen getuige zonder toestemming en vermindert de geldboete wegens termijnoverschrijding.