5. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
(i) Op de terechtzitting in eerste aanleg van 10 februari 2011 heeft de verdachte een schriftelijke verklaring van zijn partner [getuige 1] overgelegd. In deze verklaring van 9 februari 2010 bevestigt [getuige 1] de lezing van de verdachte. Deze lezing houdt in dat in februari 2010 vossen bijna honderd schapen van de verdachte hebben gedood en dat de verdachte vervolgens meerdere keren heeft gebeld met het destructiebedrijf Rendac om de dood van zijn schapen te melden, maar dat dit bedrijf de kadavers niet kwam ophalen. De economische kamer van de rechtbank heeft in haar vonnis van 24 februari 2011 in reactie op de (door [getuige 1] ondersteunde) verklaring van de verdachte dat hij meerdere keren met Rendac heeft gebeld ten aanzien van feit 1 overwogen dat daaruit niet volgt dat de verdachte ook steeds zo spoedig mogelijk aangifte van “categorie 1-materiaal” (kadavers van schapen of lammeren) heeft gedaan. Op 9 maart 2011 heeft de verdachte zelf hoger beroep ingesteld tegen het op tegenspraak gewezen vonnis van de rechtbank.
(ii) Bij brief van 16 januari 2012, gericht aan de advocaat-generaal bij het hof, heeft de verdachte verzocht de zaak wegens ernstige gezondheidsklachten aan de te houden. In deze brief heeft de verdachte voorts verzocht [getuige 2], werkzaam bij het destructiebedrijf Rendac, als getuige op de terechtzitting te horen. Ter nadere onderbouwing van zijn aanhoudingsverzoek heeft de verdachte op 26 januari 2012 per fax een medische verklaring van zijn huisarts toegezonden naar de advocaat-generaal en naar de voorzitter van het hof. Op de terechtzitting in hoger beroep van 27 januari 2012 heeft het hof beide verzoeken toegewezen en de oproeping van de getuige [getuige 2] voor de nadere terechtzitting bevolen.
(iii) Bij brief van 13 april 2012, gericht aan de advocaat-generaal bij het hof, heeft de verdachte verzocht de zaak wegens drukte op zijn bedrijf (“de schapen zijn begonnen te lammeren”) aan te houden. Voorts heeft de verdachte verzocht zijn vriendin [getuige 1] als getuige te horen, aangezien zij kan verklaren dat de verdachte de kadavers van de schapen heeft aangemeld bij Rendac en dat hij de kadavers heeft klaargelegd voor destructie. [getuige 2] is opgeroepen om als getuige te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 25 april 2012. Op die terechtzitting heeft het hof het aanhoudingsverzoek toegewezen en de oproeping van de getuige [getuige 2] voor de nadere terechtzitting bevolen. Het hof heeft niet beslist op het verzoek om [getuige 1] als getuige te horen.
(iv) Bij brief van 2 januari 2013, gericht aan de advocaat-generaal bij het hof, heeft de verdachte wederom verzocht de zaak aan te houden, omdat hij verhinderd is ter terechtzitting te verschijnen. Bij brief van 7 januari 2013 is namens de voorzitter van het hof aan de verdachte medegedeeld dat het aanhoudingsverzoek is afgewezen. Vervolgens heeft de verdachte bij brief van 9 januari 2013, gericht aan de advocaat-generaal bij het hof, verzocht [getuige 2] en [getuige 1] als getuigen op te roepen. Ten slotte heeft de verdachte bij brief van 10 januari 2013 (per fax verzonden op 14 januari 2013), gericht aan de voorzitter van het hof, verzocht de behandeling van het hoger beroep aan te houden, aangezien zijn dochter op de dag van de terechtzitting (16 januari 2013) wordt geïntroduceerd op een nieuwe speciale school, 16 januari 2013 de sterfdag van zijn vader betreft en de verdachte nog steeds last heeft van gezondheidsklachten (een dubbele oorontsteking). [getuige 1] en [getuige 2] zijn aanvankelijk opgeroepen om als getuigen te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 16 januari 2013. Deze oproepingen zijn op 14 januari 2013 ingetrokken. Op die terechtzitting heeft het hof het aanhoudingsverzoek toegewezen en de oproeping van de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] voor de nadere terechtzitting bevolen.
(v) Bij faxbericht van 8 juli 2013, gericht aan de voorzitter van het hof, heeft de verdachte nogmaals verzocht de zaak aan te houden, aangezien hij door een oogontsteking een beperkt gezichtsvermogen heeft, zijn moeder kort geleden is overleden en hij zijn zaak wil laten behandelen door een advocaat maar verschillende door hem benaderde advocaten verhinderd zijn op de dag van de terechtzitting (10 juli 2013). Op 10 juli 2013 (om 9:45 uur; vijftien minuten vóór de aanvang van de terechtzitting) heeft de verdachte het aanhoudingsverzoek tevens per fax verzonden naar het ressortsparket. [getuige 1] en [getuige 2] zijn opgeroepen om als getuigen te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 10 juli 2013. Op die terechtzitting heeft het hof het aanhoudingsverzoek van de verdachte afgewezen en daartoe overwogen dat de afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn dient te prevaleren boven het belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak ter terechtzitting aanwezig te zijn. Het hof heeft overwogen dat de behandeling van de zaak reeds op 27 januari 2012, 25 april 2012 en 16 januari 2013 op verzoek van de verdachte is aangehouden, de verdachte tijdig is opgeroepen voor de terechtzitting en de onderhavige zaak betrekking heeft op feiten die meer dan drie jaren geleden zouden zijn begaan.
(vi) Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 juli 2013, is de verdachte niet ter terechtzitting verschenen, heeft het hof bevolen dat het ter terechtzitting van 16 januari 2013 geschorste onderzoek (wegens gewijzigde samenstelling van het hof) opnieuw wordt aangevangen, heeft het hof verstek verleend tegen de niet-verschenen verdachte en heeft de voorzitter van het hof medegedeeld dat [getuige 2] als getuige is verschenen. Het proces-verbaal maakt geen melding van de omstandigheid dat de andere opgeroepen getuige ([getuige 1]) kennelijk niet is verschenen. Vervolgens heeft de inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsgevonden. Daarbij heeft de getuige [getuige 2] een verklaring afgelegd. Het hof heeft deze verklaring deels als bewijsmiddel 2 voor het bewijs gebezigd. Daarna heeft de advocaat-generaal het woord gevoerd en zijn schriftelijke vordering voorgedragen en is het onderzoek gesloten.
(vii) Het hof heeft de verdachte bij arrest van 24 juli 2013 veroordeeld. Het arrest maakt geen melding van de omstandigheid dat de voor de terechtzitting in hoger beroep van 10 juli 2013 opgeroepen getuige [getuige 1] kennelijk niet is verschenen op die terechtzitting.