ECLI:NL:PHR:2015:1610

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 juni 2015
Publicatiedatum
24 augustus 2015
Zaaknummer
14/01323
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 SvArt. 288 SvArt. 315 SvArt. 318 SvArt. 322 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest wegens niet-naleving oproeping niet verschenen getuige in economische strafzaak

De verdachte, een professioneel schapenhouder, werd door het hof veroordeeld voor overtreding van voorschriften uit de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren met betrekking tot het niet aanmelden en onjuist bewaren van kadavers van schapen. Tijdens het hoger beroep was een belangrijke getuige, de partner van de verdachte, niet verschenen, terwijl haar oproeping was bevolen.

Het hof heeft nagelaten een beslissing te nemen over de hernieuwde oproeping van deze niet verschenen getuige, terwijl de wet vereist dat het hof dit doet of dat partijen hier expliciet mee instemmen. Deze nalatigheid leidt tot nietigheid van het arrest. De schriftelijke verklaring van de getuige ondersteunt de lezing van de verdachte, die belang heeft bij haar horen.

De Hoge Raad overweegt dat het ontbreken van een uitdrukkelijk verzoek tot hernieuwde oproeping op de terechtzitting niet aan de verdachte kan worden tegengeworpen, aangezien hij niet aanwezig was en geen raadsman had. Gelet hierop slaagt het middel en wordt het arrest vernietigd. De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor een nieuwe behandeling.

Verder merkt de Hoge Raad op dat de redelijke termijn in de cassatiefase mogelijk wordt overschreden, maar dat dit niet ambtshalve hoeft te worden onderzocht nu het middel slaagt. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot vernietiging en terugwijzing.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens nietigheid door het ontbreken van een beslissing over de hernieuwde oproeping van een niet verschenen getuige, en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe berechting.

Conclusie

Nr. 14/01323 E
Zitting: 23 juni 2015
Mr. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. De economische kamer van het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 24 juli 2013 de verdachte wegens 1. en 2. “overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 81g van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, tweemaal gepleegd” bij verstek veroordeeld tot (ten aanzien van feit 1) een geldboete van € 10.000,-, subsidiair 85 dagen hechtenis, waarvan € 5.000, subsidiair 60 dagen hechtenis, voorwaardelijk en (ten aanzien van feit 2) een geldboete van € 500,-, subsidiair 10 dagen hechtenis.
2. De verdachte heeft zelf beroep in cassatie ingesteld en namens de verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het gaat in deze zaak om het volgende. De verdachte is een professioneel schapenhouder. Het hof heeft vastgesteld dat op 6 april 2010 op het erf van de verdachte kadavers van schapen en lammeren zijn aangetroffen, zonder dat deze in de periode daaraan voorafgaand bij het destructiebedrijf Rendac waren aangemeld (feit 1). Ook zijn op voornoemde datum kadavers van schapen aangetroffen die (kort gezegd) niet op adequate wijze zijn bewaard (feit 2).
4. Het
middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte heeft nagelaten blijk te geven de toepasselijke rechtsregels te hebben nageleefd ten aanzien van een niet verschenen getuige, aangezien uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 juli 2013 niet blijkt dat de procespartijen uitdrukkelijk hebben ingestemd met het afzien van de hernieuwde oproeping van de aldaar niet verschenen getuige [getuige 1]. [1]
5. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
(i) Op de terechtzitting in eerste aanleg van 10 februari 2011 heeft de verdachte een schriftelijke verklaring van zijn partner [getuige 1] overgelegd. In deze verklaring van 9 februari 2010 bevestigt [getuige 1] de lezing van de verdachte. Deze lezing houdt in dat in februari 2010 vossen bijna honderd schapen van de verdachte hebben gedood en dat de verdachte vervolgens meerdere keren heeft gebeld met het destructiebedrijf Rendac om de dood van zijn schapen te melden, maar dat dit bedrijf de kadavers niet kwam ophalen. De economische kamer van de rechtbank heeft in haar vonnis van 24 februari 2011 in reactie op de (door [getuige 1] ondersteunde) verklaring van de verdachte dat hij meerdere keren met Rendac heeft gebeld ten aanzien van feit 1 overwogen dat daaruit niet volgt dat de verdachte ook steeds zo spoedig mogelijk aangifte van “categorie 1-materiaal” (kadavers van schapen of lammeren) heeft gedaan. Op 9 maart 2011 heeft de verdachte zelf hoger beroep ingesteld tegen het op tegenspraak gewezen vonnis van de rechtbank.
(ii) Bij brief van 16 januari 2012, gericht aan de advocaat-generaal bij het hof, heeft de verdachte verzocht de zaak wegens ernstige gezondheidsklachten aan de te houden. In deze brief heeft de verdachte voorts verzocht [getuige 2], werkzaam bij het destructiebedrijf Rendac, als getuige op de terechtzitting te horen. Ter nadere onderbouwing van zijn aanhoudingsverzoek heeft de verdachte op 26 januari 2012 per fax een medische verklaring van zijn huisarts toegezonden naar de advocaat-generaal en naar de voorzitter van het hof. Op de terechtzitting in hoger beroep van 27 januari 2012 heeft het hof beide verzoeken toegewezen en de oproeping van de getuige [getuige 2] voor de nadere terechtzitting bevolen.
(iii) Bij brief van 13 april 2012, gericht aan de advocaat-generaal bij het hof, heeft de verdachte verzocht de zaak wegens drukte op zijn bedrijf (“de schapen zijn begonnen te lammeren”) aan te houden. Voorts heeft de verdachte verzocht zijn vriendin [getuige 1] als getuige te horen, aangezien zij kan verklaren dat de verdachte de kadavers van de schapen heeft aangemeld bij Rendac en dat hij de kadavers heeft klaargelegd voor destructie. [getuige 2] is opgeroepen om als getuige te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 25 april 2012. Op die terechtzitting heeft het hof het aanhoudingsverzoek toegewezen en de oproeping van de getuige [getuige 2] voor de nadere terechtzitting bevolen. Het hof heeft niet beslist op het verzoek om [getuige 1] als getuige te horen.
(iv) Bij brief van 2 januari 2013, gericht aan de advocaat-generaal bij het hof, heeft de verdachte wederom verzocht de zaak aan te houden, omdat hij verhinderd is ter terechtzitting te verschijnen. Bij brief van 7 januari 2013 is namens de voorzitter van het hof aan de verdachte medegedeeld dat het aanhoudingsverzoek is afgewezen. Vervolgens heeft de verdachte bij brief van 9 januari 2013, gericht aan de advocaat-generaal bij het hof, verzocht [getuige 2] en [getuige 1] als getuigen op te roepen. Ten slotte heeft de verdachte bij brief van 10 januari 2013 (per fax verzonden op 14 januari 2013), gericht aan de voorzitter van het hof, verzocht de behandeling van het hoger beroep aan te houden, aangezien zijn dochter op de dag van de terechtzitting (16 januari 2013) wordt geïntroduceerd op een nieuwe speciale school, 16 januari 2013 de sterfdag van zijn vader betreft en de verdachte nog steeds last heeft van gezondheidsklachten (een dubbele oorontsteking). [getuige 1] en [getuige 2] zijn aanvankelijk opgeroepen om als getuigen te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 16 januari 2013. Deze oproepingen zijn op 14 januari 2013 ingetrokken. Op die terechtzitting heeft het hof het aanhoudingsverzoek toegewezen en de oproeping van de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] voor de nadere terechtzitting bevolen.
(v) Bij faxbericht van 8 juli 2013, gericht aan de voorzitter van het hof, heeft de verdachte nogmaals verzocht de zaak aan te houden, aangezien hij door een oogontsteking een beperkt gezichtsvermogen heeft, zijn moeder kort geleden is overleden en hij zijn zaak wil laten behandelen door een advocaat maar verschillende door hem benaderde advocaten verhinderd zijn op de dag van de terechtzitting (10 juli 2013). Op 10 juli 2013 (om 9:45 uur; vijftien minuten vóór de aanvang van de terechtzitting) heeft de verdachte het aanhoudingsverzoek tevens per fax verzonden naar het ressortsparket. [getuige 1] en [getuige 2] zijn opgeroepen om als getuigen te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 10 juli 2013. Op die terechtzitting heeft het hof het aanhoudingsverzoek van de verdachte afgewezen en daartoe overwogen dat de afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn dient te prevaleren boven het belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak ter terechtzitting aanwezig te zijn. Het hof heeft overwogen dat de behandeling van de zaak reeds op 27 januari 2012, 25 april 2012 en 16 januari 2013 op verzoek van de verdachte is aangehouden, de verdachte tijdig is opgeroepen voor de terechtzitting en de onderhavige zaak betrekking heeft op feiten die meer dan drie jaren geleden zouden zijn begaan.
(vi) Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 juli 2013, is de verdachte niet ter terechtzitting verschenen, heeft het hof bevolen dat het ter terechtzitting van 16 januari 2013 geschorste onderzoek (wegens gewijzigde samenstelling van het hof) opnieuw wordt aangevangen, heeft het hof verstek verleend tegen de niet-verschenen verdachte en heeft de voorzitter van het hof medegedeeld dat [getuige 2] als getuige is verschenen. Het proces-verbaal maakt geen melding van de omstandigheid dat de andere opgeroepen getuige ([getuige 1]) kennelijk niet is verschenen. Vervolgens heeft de inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsgevonden. Daarbij heeft de getuige [getuige 2] een verklaring afgelegd. Het hof heeft deze verklaring deels als bewijsmiddel 2 voor het bewijs gebezigd. Daarna heeft de advocaat-generaal het woord gevoerd en zijn schriftelijke vordering voorgedragen en is het onderzoek gesloten.
(vii) Het hof heeft de verdachte bij arrest van 24 juli 2013 veroordeeld. Het arrest maakt geen melding van de omstandigheid dat de voor de terechtzitting in hoger beroep van 10 juli 2013 opgeroepen getuige [getuige 1] kennelijk niet is verschenen op die terechtzitting.
6. Het bij brief van 13 april 2012 gedane en bij brief van 2 januari 2013 herhaalde verzoek van de verdachte om [getuige 1] als getuige op te roepen, kan worden aangemerkt als een verzoek zoals bedoeld in art. 328 Sv Pro, in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv, in aanmerking genomen dat dit verzoek niet is gedaan vóór de eerste terechtzitting in hoger beroep van 27 januari 2012. Op de terechtzitting in hoger beroep van 16 januari 2013 heeft het hof op de voet van art. 315, eerste lid, Sv de oproeping van deze getuige bevolen. Hoewel de samenstelling van het hof na de schorsing van het onderzoek voor onbepaalde tijd op de terechtzitting in hoger beroep van 16 januari 2013 is gewijzigd, het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 juli 2013 vermeldt dat het onderzoek opnieuw is aangevangen en het arrest van het hof inhoudt dat het wat betreft het hoger beroep slechts is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 juli 2013, is het bevel tot oproeping van de getuige [getuige 1] in stand gebleven. Een redelijke wetstoepassing brengt immers mee dat art. 322, vierde lid, Sv ook het op grond van art. 315, eerste lid, Sv gegeven bevel tot oproeping van een getuige omvat. [2]
7. Een getuige die na een bevel zoals bedoeld in art. 315, eerste lid, Sv niet is verschenen, moet worden aangemerkt als een “niet verschenen getuige” in de zin van art. 287, derde lid, Sv en art. 288, eerste lid, Sv, welke bepalingen op grond van art. 415, eerste lid, Sv ook in hoger beroep van toepassing zijn. Dit betekent dat het hof een beslissing uit hoofde van deze bepalingen dient te geven indien de getuige aan de bevolen oproeping geen gevolg heeft gegeven. Voorts kan het hof ingevolge art. 288, derde lid, Sv, in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv, van de hernieuwde oproeping van de niet verschenen getuige afzien indien de advocaat-generaal bij het hof en de verdachte daarmee uitdrukkelijk hebben ingestemd. [3]
8. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 juli 2013 houdt niet in dat de (niet verschenen) verdachte en de advocaat-generaal bij het hof op de voet van art. 288, derde lid, Sv, in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv, uitdrukkelijk hebben ingestemd met het afzien van de hernieuwde oproeping van de aldaar niet verschenen getuige [getuige 1]. Het moet er daarom voor worden gehouden dat die instemming niet is gegeven. Bij die stand van zaken had het hof in beginsel op grond van art. 287, derde lid, aanhef en onder b, Sv, in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv, de hernieuwde oproeping van die getuige moeten bevelen. Het hof had daarvan alleen op de voet van art. 288, eerste lid, Sv dan wel op de voet van art. 418, derde lid, Sv bij een met redenen omklede beslissing kunnen afzien op één van de in die bepalingen genoemde gronden. Noch in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 juli 2013 noch in het arrest van het hof is ter zake enige beslissing neergelegd. Van een hernieuwde oproeping dan wel een met redenen omklede afwijzende beslissing van het hof ten aanzien van deze getuige blijkt niet. Dit verzuim heeft nietigheid tot gevolg. [4]
9. Aan het voorgaande doet niet af dat zich bij de stukken van het geding wel een schriftelijke verklaring van [getuige 1] van 9 februari 2010 bevindt, die op de terechtzitting in eerste aanleg door de verdachte is overgelegd. In dat verband merk ik op dat het hof, anders dan de rechtbank, in zijn uitspraak niet expliciet op deze verklaring is ingegaan. Bovendien ondersteunt deze verklaring de lezing van de verdachte. Zoals blijkt uit de onderbouwing van het getuigenverzoek in de brief van de verdachte van 13 april 2012, kan [getuige 1] verklaren dat de verdachte de kadavers van de schapen heeft aangemeld bij Rendac (ten aanzien van feit 1) en dat hij de kadavers heeft klaargelegd voor destructie (ten aanzien van feit 2). De verdachte heeft derhalve belang bij het horen van deze getuige.
10. De onderhavige zaak verschilt van de zaak die heeft geleid tot HR 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5154,
NJ2012/576. Daarin heeft de Hoge Raad overwogen dat het hof op de voet van art. 288, derde lid, Sv met toestemming van de advocaat-generaal bij het hof van de hernieuwde oproeping van de getuige heeft afgezien en dat het hof gelet op art. 331, tweede lid, Sv ook zonder toestemming van de verdachte aldus kon beslissen. Ook in die zaak was de getuige, nadat het hof op een eerdere terechtzitting zijn oproeping had bevolen, niet op de nadere terechtzitting verschenen, terwijl op die terechtzitting de verdachte en diens raadsman evenmin waren verschenen. Anders dan in de onderhavige zaak, had het hof in die zaak in zijn arrest een overweging gewijd aan het niet verschijnen van de verdachte, waaruit kan worden afgeleid dat de (wel aanwezige) advocaat-generaal bij het hof heeft ingestemd met het niet opnieuw oproepen van de getuige. In het onderhavige geval heeft het hof noch in het proces-verbaal van de terechtzitting noch in zijn arrest enige overweging opgenomen ten aanzien van het niet verschijnen van de opgeroepen getuige. Van instemming door de advocaat-generaal is in ieder geval niet gebleken. [5] Voorts geldt - in verband met het onder 9 opgemerkte - ook in dit verband dat niet gezegd kan worden dat de verdachte geen belang heeft bij het horen van de getuige en daarmee geen belang heeft bij cassatie.
11. Ten slotte rijst de vraag of het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 1 juli 2014 inzake getuigenverzoeken tot een ander oordeel zou nopen. De Hoge Raad heeft daarin overwogen dat, in geval een opgeroepen getuige niet is verschenen, een beslissing uit hoofde van art. 287 Sv Pro en art. 288 Sv Pro zal moeten worden gegeven, indien door of namens de verdachte een uitdrukkelijk en gemotiveerd verzoek is gedaan tot hernieuwde oproeping van de niet verschenen getuige. [6] In het onderhavige geval is door of namens de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep van 10 juli 2013 niet verzocht de niet verschenen getuige [getuige 1] opnieuw op te roepen. De verdachte was op die terechtzitting echter niet verschenen, terwijl er evenmin namens hem een (gemachtigde) raadsman aanwezig was. Bovendien heeft de verdachte in de vorm van een aanhoudingsverzoek wel uitdrukkelijk te kennen gegeven dat hij op die terechtzitting aanwezig wenste te zijn. Gelet hierop kan het ontbreken van voornoemd verzoek de verdachte in dit geval niet worden tegengeworpen. Het voert te ver van de verdachte te verlangen dat hij anticipeert op een mogelijk niet verschijnen van een opgeroepen getuige door voor dat geval op voorhand de hernieuwde oproeping te verzoeken.
12. Ambtshalve merk ik nog het volgende op. De verdachte heeft op 24 juli 2013 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal hoogstwaarschijnlijk uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. In dat geval zal de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM worden overschreden. In het onderhavige geval behoeft de Hoge Raad evenwel niet ambtshalve te onderzoeken of de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden. Gelet op het slagen van het middel, kan het tijdsverloop immers bij de nieuwe behandeling van de zaak door het hof aan de orde worden gesteld. [7]
13. Het middel slaagt. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Het hof heeft de oproeping bevolen van “[getuige 1]”. Naar ik aanneem gaat het hier om een verschrijving. In het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg, in de daarbij gevoegde en ondertekende verklaring en op de oproepingen staat “[getuige 1]” vermeld.
2.Vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496,
3.Vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496,
4.Vgl. HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1701, rov. 3, HR 1 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0145, rov. 2, HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3045,
5.Vgl. HR 19 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD2182,
6.Vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496,
7.Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,