Uitspraak
wonende te [plaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
16 oktober 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoeker die in het geding was omtrent een schuldsaneringsprocedure natuurlijke personen (WSNP). Voorafgaand aan het cassatieberoep waren er vonnissen van de rechtbank Den Haag en het gerechtshof Den Haag, waarin het verzoek tot toelating tot de WSNP niet-ontvankelijk werd verklaard op grond van artikel 285 lid 1 onder Pro f van de Faillissementswet.
De verzoeker stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het gerechtshof, waarbij het hof het verzoek tot toelating tot de WSNP had afgewezen. De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat het niet nodig was nadere motivering te geven omdat er geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling waren.
De Hoge Raad bevestigde hiermee de niet-ontvankelijkheid van het verzoek tot toelating tot de WSNP en wees het cassatieberoep af. Het arrest werd gewezen door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Snijders, Polak en in het openbaar uitgesproken door De Groot.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de niet-ontvankelijkheid van het verzoek tot toelating tot de WSNP wordt bevestigd.