Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
27 oktober 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van betrokkene tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd toegewezen wegens het telen van hennep.
Het hof had het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 7.192,14, gebaseerd op de aanname dat drie oogsten hadden plaatsgevonden. Deze schatting was onderbouwd met verklaringen van betrokkene en diverse proces-verbalen van opsporingsambtenaren, waarin onder meer werd vastgesteld dat betrokkene 36 hennepplanten teelde en dat er aanwijzingen waren voor meerdere oogsten.
De Hoge Raad oordeelt echter dat de schatting niet zonder meer begrijpelijk is, omdat de verklaring van betrokkene zelf inhoudt dat de aangetroffen planten op 9 mei 2011 de tweede oogst vormden. De motivering van het hof om drie oogsten te betrekken bij de berekening is onvoldoende toegelicht.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel op het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.