Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
3 november 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft het beroep in cassatie van een verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin een ISD-maatregel (plaatsing in inrichting voor stelselmatige daders) is opgelegd voor een periode van twee jaren wegens diefstal en eenvoudige belediging van een ambtenaar.
De verdachte had geweigerd medewerking te verlenen aan het onderzoek dat ten behoeve van het advies voor de maatregel moest worden verricht. Het hof oordeelde dat op grond van artikel 38m, vijfde lid, Sr het vierde lid niet van toepassing is indien de verdachte weigert mee te werken, zodat het oudere advies toch gebruikt mocht worden.
De verdachte stelde in cassatie dat het advies meer dan een jaar oud was en dat hij niet had ingestemd met het gebruik daarvan, en dat de maatregel onvoldoende was gemotiveerd. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof het wetsartikel juist had uitgelegd en dat het oordeel niet onbegrijpelijk was, mede gelet op de duidelijke weigering van de verdachte om mee te werken.
Daarmee ontbrak de verdachte een in rechte te respecteren belang bij het middel, en omdat geen van de klachten tot cassatie konden leiden, verklaarde de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang door de weigering van verdachte medewerking te verlenen aan het onderzoek.