In deze zaak stond centraal of een voormalige moedermaatschappij haar voorvoegingsverliezen kon verrekenen met de volledige belastbare winst van 2009 en 2010 na het einde van de fiscale eenheid door liquidatie van haar enige dochtermaatschappij.
De Rechtbank Den Haag had geoordeeld dat er geen sprake was van een ontvoegingstijdstip in de zin van artikel 15aa Wet Vpb, waardoor de winstsplitsingsregel van artikel 15ag niet van toepassing was en de verrekening van verliezen onbeperkt mogelijk was.
De Hoge Raad oordeelde anders. Hij stelde vast dat artikel 15ag Wet Vpb ook geldt bij beëindiging van de fiscale eenheid door ontbinding en vereffening van de enige dochtermaatschappij. Dit volgt uit de bedoeling van de wetgever en de parlementaire geschiedenis, die beoogt de beperking van verliesverrekening voort te zetten na beëindiging van de fiscale eenheid.
De Hoge Raad vernietigde daarom het vonnis van de Rechtbank en verklaarde de beroepen van de belanghebbende ongegrond. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van de winstsplitsingsregels bij beëindiging van fiscale eenheden door liquidatie, en bevestigt de continuïteit van verliesverrekeningsbeperkingen.