Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
planningmogelijk, maar dat lijkt mij onvoldoende reden om in veel andere gevallen - er wordt binnen concerns vaak gereorganiseerd -, waarin naar de ratio van de regeling liquidatieverliesaftrek op zijn plaats is, aftrek te weigeren op basis van een onteleologische en onsystematische uitleg van een inconcludente wettekst, die het averechtse effect van misbruik door dubbele verliesaftrek kan hebben maar ook tot ongerijmde gevolgen ten nadele van de belastingplichtige kan leiden. De eventuele mogelijkheid van ongewenste
planningis mede toe te schrijven aan de binnen het totale-winstconcept onlogische beperking in de verliesverrekening bij het ontbonden lichaam zelf en aan de liquidatieverliesregeling zelf, die niet eist dat compensabele verliezen verloren gaan bij het lichaam dat wordt ontbonden.
planning. Niet betwist wordt dat bij [I] definitief verliescompensatiemogelijkheden verloren zijn gegaan. Vast staat voorts dat de voormalige onderneming van [I] ten tijde van de voltooiing van haar vereffening het concern volledig had verlaten en dat toen geen sprake was van prohibitieve verbondenheid.
2.De feiten en het geding voor de rechtbank
De feiten en het geschil
FutD2017/1829 tekende aan dat het verlies op [I] voor de groep definitief is en dat er op basis van de ratio van de niet-voortzettingseis dan geen reden is liquidatieverliesaftrek te weigeren. Zij meent dat de Rechtbank zich ten onrechte achter de wetgever verschuilt en dat uit de wettekst en de parlementaire geschiedenis geenszins dwingend volgt dat verbondenheid op het moment van overdracht moet worden getoetst.
NLF2017/1926 aan (ik laat voetnoten weg):
NTFR2017/2039) meent dat de Rechtbank zich star opstelt. Het knelt zijns inziens dat geen verlies op de activiteiten binnen de groep is genomen, terwijl die activiteiten vervolgens wel buiten de groep zijn voortgezet. Hij wijst erop dat de wetgever ervoor heeft gekozen liquidatieverliezen pas in aanmerking te nemen als de band tussen de onderneming van het ontbonden lichaam en het concern definitief is verbroken en dat die situatie zich in casu voordoet, en dat art. 13d(9) Wet Vpb aftrek blokkeert als de verbondenheid op het interne overdrachtsmoment beoordeeld wordt.
3.Het geding in cassatie
Stb.1990, 173) maakt zij juist op dat de voltooiing van de vereffening het moment is waarop moet worden beoordeeld of aan de voorwaarden voor aftrek van het liquidatieverlies is voldaan. Voor de opvatting van de Rechtbank biedt de parlementaire geschiedenis volgens de belanghebbende geen enkele steun.
overkillaanvaard.
overkillen reikt niet verder dan het doel van de regeling.
4.De wet
5.9.2. Voortzetting
- er is geen sprake van een samenstel van rechtshandelingen (dat gericht is op toepassing van de liquidatieverliesregeling),
- de aandelen van de vennootschap die de onderneming heeft voortgezet, zijn tezamen met aandelen in andere concernvennootschappen vervreemd, en
- voorafgaand aan deze vervreemding zijn de aandelen in de voortzettende vennootschap en de andere concernvennootschappen niet binnen concern verhangen.
5.10.2.3 Toetsmoment verbondenheid
5.De parlementaire geschiedenis
Stb.1990, 173) vermeldt: [8]
7. Complicering van de wetgeving
6.Literatuur
BNB2017/142 (ik laat voetnoten weg):
Vpb.2.4.13.D.d1.III Voortzetting door de belastingplichtige of een met hem verbonden lichaam
7.Interpretatie van art. 13d(9)(b)(2o) Wet Vpb (tekst 2010)
isvoortgezet uitsluitend door een ander dan een verbonden lichaam. De term ‘is voortgezet’ kan opgevat worden als betekenende dat de voortzetting als een incident op een moment in het verleden moet worden beschouwd en niet als ‘voortzetting’, i.e. als een voortdurende toestand. Op die basis kan betoogd worden, zoals de Staatssecretaris doet, dat de beoordeling of de voortzetster met de belastingplichtige is verbonden, moet plaatsvinden naar de stand van het moment van dat incident in het verleden.
BNB2016/30, [29] waarin u bij de uitleg van de tekst ‘vanaf het ontvoegingstijdstip van de moedermaatschappij’ in art. 15ag(1) Wet Vpb er aan voorbij ging dat geen dergelijk ontvoegingstijdstip bestond en u die tekst - in het voordeel van de fiscus - las als ‘vanaf de beëindiging van de fiscale eenheid ten aanzien van de moedermaatschappij’ omdat anders het resultaat dat met de regeling beoogd was niet bereikt kon worden.
aftrekbaardeelnemingsverlies te construeren. Die op zichzelf praktische, maar onsystematische oplossing maakt het lastig om onvoorziene gevallen systematisch of rationeel op te lossen, maar duidelijk is dat de rechtvaardiging voor aftrek op moederniveau ligt in de veronderstelling dat op dochterniveau definitief verliescompensatiemogelijkheden verloren gaan. In zoverre heeft de Rechtbank terecht overwogen dat de liquidatieverliesregeling als uitzondering op de deelnemingsvrijstelling beperkt moet worden uitgelegd. Maar als vaststaat, zoals
in casu, dat op dochterniveau definitief verliesaftrek verloren is gegaan en geen sprake is van enige voortzetting binnen het concern, noch van antifiscaal geknutsel, valt aftrek van het liquidatieverlies mijns inziens binnen de door de wetgever beoogde reikwijdte van de uitzondering.
fraus legisonwerkzaam gemaakt worden.
fraus legisals de intraconcern ondernemingsoverneming op dat verdachte omslagmoment plaatsvindt en bovendien A kort daarna vervreemd wordt in plaats van, zoals meer voor de hand ligt als een bonanza aangeboord is, binnen het concern blijft.
planningdenkbaar is, nu voor liquidatieverliesaftrek op moederniveaus niet is vereist dat compensabele verliezen verloren zijn gegaan bij de geliquideerde dochter. Ook als B door wettelijke beperking van verliescompensatie zelf niet in staat zou zijn geweest om later behaalde winsten te compenseren, is dat irrelevant voor de bepaling van het liquidatieverlies dat M eventueel ex art. 13d(2) Wet Vpb in aanmerking kan nemen. Het is, omgekeerd, zelfs mogelijk dat een liquidatieverlies in aftrek komt zonder dat de geliquideerde dochter ooit verliezen heeft geleden. [31] Een groep zou de onderneming van een verlieslatende dochter die tegen verliesverjaring aanloopt elders binnen het concern kunnen voortzetten en de lege overdragende dochter laten voortbestaan totdat haar voormalige onderneming het concern verlaat. Als de verbondenheid beoordeeld wordt pas bij liquidatie van de overdraagster, kan als liquidatieverlies worden genomen hetgeen als gewone verliescompensatie bij de dochter verloren zou zijn gegaan. Het gaat dan echter om voorkoming van eigen verliesverdamping, waarvan het misbruikkarakter niet opvallend sterk is, nu temporele beperking van verliesverrekening een politiek zijwindgevoelige inbreuk is op het beginsel dat alleen de totaal door de onderneming behaalde winst belast moet worden en geen hoger bedrag.
Marks & Spencer II-arrest [32] van het HvJ EU dat zulks voorschrijft, lijkt nog steeds geldend EU-recht - maar niet valt in te zien waarom Nederland de compensatie zou moeten overnemen van verliezen die niet in zijn jurisdictie thuis horen, zeker niet als die in hun thuisjurisdictie als gevolg van de daar geldende verliesverrekeningsbeperkingen niet (meer) aftrekbaar zijn. Dat geldt te meer als de materiële onderneming waarmee die verliezen zijn geleden, uiteindelijk met toepassing van de deelnemingsvrijstelling het concern verlaat na te zijn opgebloeid. Men kan niet zeggen dat de wetgever dit kan regelen, want als gevolg van de onjuiste
Bosal- [33] en
Marks & Spencer II-rechtspraak van het HvJ EU staat het Nederland EU-rechtelijk vermoedelijk niet vrij om onderscheid te maken tussen onderworpen en niet-onderworpen dochters.
hoereëel zij zijn en of zij in de eerste plaats een gevolg zijn van beoordeling van verbondenheid op het moment waarop de vereffening wordt voltooid, nu zij mede worden veroorzaakt door verliesverrekeningsbeperking bij de verliesmaakster zelf en door het ontbreken van overeenstemming tussen het op moederniveau berekende liquidatieverlies en de bij de dochter verloren gaande verliesaftrek.