Uitspraak
VOOR DE MEDIA PNO,
gevestigd te Hilversum,
gevestigd te Den Haag,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
b) te missen herstelpremie als gevolg van het uittreden, en c) de kosten die redelijkerwijs verbonden zijn aan de behandeling van het uittredingsverzoek. De brief vermeldt voorts, voor zover relevant:
bij het bedrijfstakpensioenfonds achterblijvende werkgevers. De werkgever aan wie de vrijstelling is verleend dient dan op dezelfde wijze als de achterblijvende werkgevers bij te dragen in de financiering van de achterstand. Partijen kunnen overeen komen dat dit in één keer wordt afgerekend.”
van ‘vermogenstekort’ respectievelijk ‘onderdekking’ (Kamerstukken II 2004-2005, 30 104, nr. 3, p. 11, 23-24 en 27).
het bedrijfstakpensioenfonds in de referentieperiode pensioenaanspraken voor niet-actieven heeft ingekocht. Het heeft in rov. 3.12 eveneens terecht geoordeeld dat de Rekenregels geen compensatie toekennen voor het risico dat de kosten van (toekomstige) indexering van de aanspraken van de niet-actieven niet volledig kunnen worden gefinancierd uit de opbrengsten van het voor hen aanwezige pensioenvermogen.
elkepremieheffing die plaatsvindt met het oog op de toekenning van indexering aan niet-actieven, heeft te gelden als de inkoop van aanspraken voor niet-actieven (in de vorm van “extra, een verhoogd, pensioen”). Deze door PNO voorgestane uitleg van de Rekenregels, die ertoe zou leiden dat het bedrag dat nodig is ter dekking van het indexeringsrisico, mede ten laste zou komen van KPN als uittredende werkgever, strookt niet met de tekst van de Rekenregels, noch met het uit de totstandkomingsgeschiedenis af te leiden doel van deze regeling.
4.Beslissing
6 november 2015.