Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
17 februari 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van klager tegen een beschikking van de Rechtbank Rotterdam die zijn klaagschrift tot teruggave van een inbeslaggenomen geldbedrag van €18.620,- ongegrond verklaarde. Kort daarna heeft de strafrechter in de strafzaak tegen klager een vonnis gewezen waarin de teruggave van hetzelfde geldbedrag is gelast.
De Hoge Raad overweegt dat de beschikking waartegen cassatie is ingesteld een voorlopige beslissing was in afwachting van het oordeel van de strafrechter. Nu de strafrechter inmiddels definitief heeft beslist over de teruggave, heeft klager geen belang meer bij het cassatieberoep tegen de beschikking. Dit maakt het beroep niet-ontvankelijk.
De Hoge Raad wijst erop dat het feit dat tegen het vonnis van de strafrechter hoger beroep is ingesteld door de Officier van Justitie hieraan niet afdoet. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van klager daarom niet-ontvankelijk en bevestigt daarmee de teruggave van het geldbedrag zoals bepaald door de strafrechter.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart klager niet-ontvankelijk in het cassatieberoep wegens het ontbreken van belang door de teruggave van het geldbedrag in de strafzaak.