ECLI:NL:PHR:2017:1194

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 september 2017
Publicatiedatum
30 oktober 2017
Zaaknummer
16/04427
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens teruggave in strafzaak

In deze zaak heeft klager een klaagschrift ingediend tegen een beschikking van de rechtbank Gelderland die het klaagschrift tot teruggave van een inbeslaggenomen geldbedrag van €17.100,- ongegrond verklaarde. Klager stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen deze beschikking.

De Hoge Raad onderzocht de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Uit informatie van de strafgriffie bleek dat in de strafzaak tegen klager de politierechter op 19 juli 2017 vonnis had gewezen, waarbij klager werd vrijgesproken van witwassen en de teruggave van het geldbedrag werd gelast. Tegen dit vonnis was geen hoger beroep ingesteld, waardoor het onherroepelijk is geworden.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin werd geoordeeld dat een tussentijds vonnis in de strafzaak dat een beslissing geeft over het inbeslaggenomen goed, maakt dat een klaagschrift over hetzelfde goed geen andersluidende beslissing meer kan krijgen. Hierdoor heeft klager geen belang meer bij het cassatieberoep en wordt dit niet-ontvankelijk verklaard.

Het cassatieberoep blijft daarom buiten behandeling en het middel wordt niet besproken. De beslissing in de strafzaak maakt het beroep tegen de beschikking overbodig.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de teruggave van het geldbedrag in de strafzaak is gelast.

Conclusie

Nr. 16/04427 B
Zitting: 12 september 2017
Mr. G. Knigge
Conclusie inzake:
[klager]
Het beroep in cassatie is gericht tegen een beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 16 juni 2016, waarbij een namens de klager ex art. 552a Sv ingediend klaagschrift strekkende tot teruggave aan hem van een onder hem inbeslaggenomen geldbedrag van € 17.100,-, ongegrond is verklaard.
Namens de klager is beroep in cassatie ingesteld. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.
Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
3.1. Eerst besteed ik aandacht aan de vraag of de klager in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.
3.2. Uit door mijn medewerker ingewonnen informatie bij de strafgriffie van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, blijkt dat de politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, in de strafzaak tegen de klager op 19 juli 2017 vonnis heeft gewezen (parketnummer 05/880111-16). De klager is -kort gezegd- vrijgesproken van het hem tenlastegelegde witwassen en voorts is de teruggave aan hem gelast van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 17.100,-. Tegen voornoemde uitspraak is blijkens een uitdraai uit het SAS-systeem van 8 augustus 2017 geen hoger beroep ingesteld. Dit brengt mee dat de vrijspraak in de strafzaak tegen de klager onherroepelijk is geworden. [1]
3.3. In o.m. HR 8 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB8989 [2] verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk omdat de rechtbank, evenals in de onderhavige zaak het geval is, tussentijds in de strafzaak vonnis had gewezen en daarin de bewaring had gelast van het inbeslaggenomene ten behoeve van de rechthebbende. Daardoor kon op het bestaande klaagschrift geen andersluidende beslissing meer volgen dan de ongegrondverklaring van het beklag. Dat betekende dat de klager niet in zijn cassatieberoep kon worden ontvangen.
3.4. Ook in het onderhavige geval heeft te gelden dat er geen plaats is om het beklag gegrond te verklaren, nu de rechtbank in de strafzaak een beslissing heeft gegeven over het inbeslaggenomen geldbedrag. De op het klaagschrift gegeven beslissing is immers naar haar aard een voorlopige beslissing, die gegeven wordt in afwachting van het oordeel van de strafrechter dienaangaande. Daar komt bij dat de klager, die teruggave heeft verzocht van het geldbedrag ten aanzien waarvan inmiddels bij voormeld vonnis is beslist dat het aan hem teruggegeven moet worden, ook om die reden geen belang meer heeft bij het beroep tegen de beschikking van de rechtbank Gelderland van 16 juni 2016. De klager kan in het onderhavige cassatieberoep niet worden ontvangen. Het middel blijft derhalve buiten bespreking.
4. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de klager niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Het e-mailbericht van 8 augustus 2017 van [betrokkene 1], werkzaam bij de strafgriffie van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, met als bijlage de aantekening mondeling vonnis van 19 juli 2017 van de politierechter in de strafzaak tegen de klager alsmede bedoelde uitdraai uit het SAS-systeem van 8 augustus 2017, heb ik bijgevoegd in het dossier.
2.Vgl. ook HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:910, HR 17 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:336, HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:3274, HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5834 en HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0637.