ECLI:NL:HR:2015:3401

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 november 2015
Publicatiedatum
26 november 2015
Zaaknummer
14/04902
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging arrest relatiebeding arbeidsrecht bij overtreding voorafgaand aan einde arbeidsovereenkomst

In deze zaak stond de vraag centraal of een overtreding van een relatiebeding voorafgaand aan het einde van de arbeidsovereenkomst kan leiden tot een verbod op het aangaan van bepaalde relaties. De zaak werd behandeld door de kantonrechter te Groningen en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarvan het arrest in cassatie werd aangevochten.

De Hoge Raad verwijst naar de eerdere vonnissen en het arrest van het hof en overweegt dat de aangevoerde klachten in cassatie niet tot vernietiging kunnen leiden. Gezien artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is nadere motivering niet nodig omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling opleveren.

Het cassatieberoep wordt verworpen en verzoekster wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Het arrest bevestigt de rechtmatigheid van het oordeel van het hof dat het relatiebeding niet is geschonden op een wijze die cassatie rechtvaardigt.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof wordt bekrachtigd.

Uitspraak

27 november 2015
Eerste Kamer
14/04902
EV/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoekster],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. J.P. Heering,
t e g e n
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. S.F. Sagel.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoekster] en [verweerder].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 525511 \ CV EXPL 11-14517 van de kantonrechter te Groningen van 4 januari 2012, 3 oktober 2012 en 24 april 2013;
b. het arrest in de zaak 200.129.238/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 juni 2014.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor [verzoekster] mede door mr. F.M. Dekker en voor [verweerder] mede door mr. J.T. van der Kroon.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [verzoekster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 1.991,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en V. van den Brink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
27 november 2015.