Conclusie
namaar
tijdensde arbeidsovereenkomst de e-mail via LinkedIn verzonden. Hoewel bewoordingen niet doorslaggevend zijn bij uitleg van deze clausule zijn ze wel van belang, temeer nu partijen niet zijn aan te merken als geheel gelijkwaardige contractspartners. Nu partijen op dit punt in het geheel geen debat hebben gevoerd worden partijen in de gelegenheid gesteld zich op dit punt uit te laten. De kantonrechter gaat er daarbij vanuit dat het boetebeding van art. 17.2 bedoelt te verwijzen naar het relatiebeding in art. 17.1.
2.Beoordeling van het cassatieberoep
na het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. Artikel 17 maakt Pro een duidelijk onderscheid tussen de situatie vóór en na de arbeidsovereenkomst (vgl. de regeling voor de potentiële cliënten). De bepaling verbiedt het benaderen van (potentiële) relaties na het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. Dat ligt, gelet op het karakter van het beding, ook wel voor de hand, omdat een verbod relaties te benaderen de werknemer zou belemmeren in zijn functie-uitoefening. Gelet op de tussen partijen vaststaande feiten betreft dit derhalve de periode tussen 1 juni 2011 en 1 juni 2012. Het desbetreffende LinkedIn bericht (zoals hiervoor onder 3.9 vermeld) is op 26 mei 2011 geplaatst en aldus niet tijdens de referentieperiode, zodat daardoor hoe dan ook op basis van voormeld relatiebeding geen boete is verbeurd. De vordering van [verzoekster] is beperkt tot betaling van de volgens [verzoekster] verbeurde boetes, buitengerechtelijke kosten, een verbod tot - kort gezegd - vanwege deze gestelde overtreding van het relatiebeding het benaderen van relaties van [verzoekster] en de proceskosten. Voor onrechtmatig handelen jegens [verzoekster] als gevolg van plaatsing van voormeld LinkedIn bericht heeft [verzoekster] onvoldoende gesteld, zodat het hof daaraan voorbijgaat. Daarnaast brengt de inhoud van voormeld LinkedIn bericht naar het oordeel van het hof niet zonder meer mee dat [verweerder] daarmee in strijd heeft gehandeld met het relatiebeding. In zoverre slagen de grieven I tot en met VI in principaal appel, terwijl grief VII geen behandeling behoeft. Dit betekent dat het vonnis, voor zover (oorspronkelijk) in conventie gewezen, zal worden vernietigd. Opnieuw recht doende zal de vordering van [verzoekster] onder I en III worden afgewezen, reden waarom ook de vordering onder II, de gevorderde buitengerechtelijke kosten, niet voor toewijzing in aanmerking komt. Daarmee is grief III in incidenteel appel ongegrond.”
subonderdeel 1.1houdt in dat het hof de toepasselijkheid van de Haviltex-maatstaf heeft miskend door een zuiver taalkundige uitleg van het relatiebeding te geven zonder op andere relevante omstandigheden van het geval te letten.
subonderdeel 1.2onbegrijpelijk gemotiveerd, omdat uit die motivering niet blijkt dat rekening is gehouden met de relevante omstandigheden van het geval, met name strekking van het beding en wat partijen in dat verband redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Volgens de klacht is bij wegen van essentiële stelling aangevoerd dat de strekking van het beding is dat de werknemer zowel tijdens als na afloop van het dienstverband wordt verboden (potentiële) relaties van [verzoekster] te benaderen voor eigen gewin of dat van zijn nieuwe werkgever, zodat een redelijke uitleg meebrengt dat dit verbod ook geldt tijdens het dienstverband. Een andersluidende uitleg maakt het beding waardeloos, omdat het relatiebeding dan tegen einde dienstverband eenvoudig kan worden omzeild door vlak voor afloop relaties voor eigen gewin te benaderen. Daarbij is volgens de klacht van belang dat [verweerder] al sinds 2 mei 2011 op non-actief stond en dat hij per brief van 2 mei 2011 van [verzoekster] nog eens is gewezen op het relatiebeding.
taalkundige betekenis(
na het eindigen van de arbeidsovereenkomst). Dat de taalkundige betekenis van de tekst gelezen in de context van het hele beding of uit te leggen geschrift (zelfs:) vaak van groot belang kan zijn, is uitgemaakt in DSM/Fox, hiervoor geciteerd in 2.4. Wat niet mag volgens dit arrest, is een puur tekstuele uitleg, losgezongen van die context, maar dat heeft het hof in onze zaak ook niet gedaan, zoals we hierna zullen zien. De tekst op zich ziet op activiteiten na einde dienstverband, niet ervoor (het hof onderstreept dat in rov. 5.3 voor de duidelijkheid “letterlijk”).
Artikel 17 maakt Pro een duidelijk onderscheid tussen de situatie vóór en na de arbeidsovereenkomst (vgl. de regeling voor de potentiële cliënten). Daarmee wordt de uit te leggen tekst naar mij voorkomt
in context geplaatst. Kennelijke gedachtegang lijkt hier deze: hoewel partijen voor ogen hebben gehad dat je moet onderscheiden tussen een situatie tijdens en een situatie na ommekomst van de arbeidsovereenkomst, hebben zij er blijkbaar voor gekozen het relatiebeding alleen te laten gelden voor de periode erna (en dat hebben ze ook zo opgeschreven). Het hof maakt daarmee een koppeling tussen beide alinea’s van art. 17.1. Dat had best meer expliciet kunnen worden gemaakt, maar dit gezichtspunt komt duidelijk genoeg naar voren.
strekkingof het karakter van het gehele beding [22] . Dat het hof alleen de strekking noemt, maar daar niet werkelijk naar kijkt, zoals de klacht wil, zie ik niet. Dat het hof er een andere strekking aan toekent dan bepleit door [verzoekster] , is iets anders. Deze uitleg ligt volgens het hof, gelet op het karakter van het beding, “ook wel voor de hand”, omdat een ongeclausuleerd verbod (potentiële) cliënten te benaderen
gedurendezijn arbeidsovereenkomst (waartoe de uitleg van [verzoekster] kennelijk volgens het hof zou leiden) de werknemer zou belemmeren in zijn functie-uitoefening.
aannemelijkheid van de rechtsgevolgenvan een gegeven uitleg als gezichtspunt gehanteerd en ook dat is een geaccepteerde uitleg-excercitie [23] .
strekking van het relatiebeding(het derde gezichtspunt uit 2.7) niet alleen met de mond beleden door het hof, maar afdoende inzichtelijk inhoudelijk behandeld. Dat geldt ook voor het volgens de klacht niet behandelde element uit Haviltex “hetgeen partijen redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten”; ik kwam in 2.7 tot de synthese dat de vier gekozen gezichtspunten van het hof er in zijn uitleg kennelijk toe leiden dat partijen op grond daarvan redelijkerwijs mochten begrijpen dat het beding werking had alleen na afloop van en niet al tijdens het dienstverband.
subonderdeel 2.2heeft het hof in elk geval zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd door niet te responderen op de navolgende door [verzoekster] als essentieel aangemerkte stellingen: