Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
1 december 2015.
Hoge Raad
De verdachte werd ten laste gelegd dat hij op 14 september 2012 in Amsterdam samen met anderen cocaïne en MDMA had verkocht en aanwezig had. Het hof verklaarde hem medepleger van de verkoop en het aanwezig hebben van drugs in de auto waarin hij als bestuurder zat. Het bewijs bestond uit verklaringen van opsporingsambtenaren, inbeslaggenomen drugs, en een verklaring van de koper.
De verdediging stelde dat niet bewezen kon worden dat de verdachte wetenschap had van de drugs en dat hij slechts als chauffeur optrad. Het hof oordeelde echter dat er sprake was van nauwe en bewuste samenwerking, mede gelet op het eigendom van de auto en de aanwezigheid van drugs in het zicht van de verdachte.
De Hoge Raad overweegt dat voor medeplegen een nauwe en bewuste samenwerking vereist is en dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de gedragingen van de verdachte meer zijn dan medeplichtigheid. Ook is niet bewezen dat de verdachte de 0,20 gram cocaïne als pleger aanwezig had. Daarom wordt het arrest vernietigd en de zaak terugverwezen naar het hof voor hernieuwde beoordeling.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.