Op 8 maart 2014 vond in Bunnik een poging tot diefstal met geweld plaats waarbij verdachte en mededaders betrokken waren. Verdachte hield voorafgaand aan de overval de voordeur van het slachtoffer open, zodat de medeverdachten de woning konden binnendringen. De rechtbank en het hof veroordeelden verdachte voor medeplegen van deze poging tot diefstal met geweld, waarbij het hof oordeelde dat het openhouden van de deur een cruciaal element in de uitvoering van de overval was.
Verdachte stelde in cassatie dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom zijn gedragingen als medeplegen moesten worden aangemerkt en niet als medeplichtigheid. De Hoge Raad overwoog dat het openhouden van de deur geen uitvoeringshandeling is en doorgaans met medeplichtigheid wordt geassocieerd. Het hof had geen voldoende gewichtige rol van verdachte in de voorbereiding of uitvoering van het delict vastgesteld om medeplegen te rechtvaardigen.
De Hoge Raad concludeerde dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de gedraging van verdachte als medeplegen moet worden aangemerkt en vernietigde het arrest. De zaak werd terugverwezen naar het hof voor hernieuwde berechting. Deze uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid en de noodzaak van een gedegen motivering bij het vaststellen van medeplegen.