Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2015:3463

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 december 2015
Publicatiedatum
3 december 2015
Zaaknummer
15/02914
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 EVRMArt. 26 IVBPRartikel XXXIV Wet van 22 december 2011, Stb. 2011, 639artikel 81, lid 1, Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging rechtmatigheid overgangsrecht heffingsrente bij verlengd boekjaar vennootschapsbelasting

Belanghebbende, een vennootschap met een verlengd boekjaar van 29 november 2011 tot en met 31 december 2012, maakte bezwaar tegen de heffingsrente die werd berekend over haar voorlopige aanslag vennootschapsbelasting. De kern van het geschil betrof de vraag of het overgangsrecht bij de invoering van de heffingsrente, dat onderscheid maakt tussen belastingaanslagen voor tijdvakken die vóór 1 januari 2012 zijn aangevangen en die vanaf die datum, in strijd is met het discriminatieverbod van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (art. 14 EVRM Pro) en het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (art. 26 IVBPR Pro).

Het Gerechtshof Amsterdam had deze vraag ontkennend beantwoord, en de Hoge Raad bevestigt dit oordeel. De Hoge Raad overweegt dat een volkomen gelijke behandeling van boekjaren die wel of niet aanvang op de datum van wetswijziging vaak onmogelijk of praktisch moeilijk uitvoerbaar is. Daarnaast zou het door belanghebbende bepleite regime leiden tot ongelijkheden en materiële terugwerkende kracht.

De Hoge Raad wijst erop dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij het bepalen van de ingangsdatum van wetswijzigingen voor lichamen met afwijkende boekjaren. Het feit dat de wetgever in dit geval geen uitzonderingen heeft gemaakt, betekent niet dat deze beoordelingsvrijheid is overschreden. Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het overgangsrecht bij heffingsrente is niet in strijd met het discriminatieverbod.

Uitspraak

4 december 2015
nr. 15/02914
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X] N.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 21 mei 2015, nr. 14/00485, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. AWB 13/4506) betreffende de ten aanzien van belanghebbende met betrekking tot haar aanslag in de vennootschapsbelasting voor het boekjaar 2011/2012 gegeven beschikking inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Het eerste boekjaar van belanghebbende is een verlengd boekjaar dat loopt van 29 november 2011 tot en met 31 december 2012.
2.1.2.
Aan belanghebbende is met dagtekening 22 juni 2013 een voorlopige aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd voor het hiervoor in 2.1.1 bedoelde boekjaar. Gelijktijdig met het opleggen van de voorlopige aanslag is ten aanzien van belanghebbende een beschikking heffingsrente gegeven tot een bedrag van € 1221.
2.2.
Voor het Hof was onder meer in geschil het antwoord op de vraag of het onderscheid dat in het overgangsrecht bij de invoering van de bepalingen inzake belastingrente is gemaakt tussen belastingaanslagen in de vennootschapsbelasting die betrekking hebben op tijdvakken die zijn aangevangen vóór 1 januari 2012 en belastingaanslagen in de vennootschapsbelasting die betrekking hebben op tijdvakken die zijn aangevangen op of na die datum (artikel XXXIV, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet van 22 december 2011, Stb. 2011, 639) in strijd is met het discriminatieverbod zoals vastgelegd in artikel 26 van Pro het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 14 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord.
2.3.
Voor zover de middelen tegen dit oordeel opkomen falen zij. Een volkomen gelijke behandeling van boekjaren die wel of juist niet aanvangen op de datum waarop een wetswijziging in werking treedt, is vaak onmogelijk of praktisch moeilijk uitvoerbaar. Dat geldt ook voor het onderhavige geval. Bovendien zou inwerkingtreding van de nieuwe regeling met ingang van boekjaren die eindigen op of na 31 december 2012 – zoals bepleit door belanghebbende – ook tot ongelijkheden leiden en voorts in haar geval een materieel terugwerkende kracht impliceren. Uit de geschiedenis van wijzigingen van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en van wetten die de (belasting)verplichtingen van de aan de vennootschapsbelasting onderworpen lichamen mede bepalen, blijkt dat de wetgever voor lichamen die niet een boekjaar hebben dat aanvangt op 1 januari, wijzigingen die voor anderen in werking treden op 1 januari van enig jaar, pleegt te laten ingaan met het boekjaar dat aanvangt na 1 januari van het desbetreffende jaar. Bij die lichamen wordt een wetswijziging daardoor bestendig later geëffectueerd dan bij andere lichamen - ongeacht of het gaat om een verzwarende maatregel dan wel een verlichtende – zodat terugwerkende kracht van een dergelijke wetswijziging wordt voorkomen. Uitzonderingen op deze werkwijze zijn denkbaar, doch de wetgever overschrijdt in beginsel niet de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid door dergelijke uitzonderingen achterwege te laten. Ook in het onderhavige geval heeft de wetgever die beoordelingsvrijheid niet overschreden.
2.4.
De middelen kunnen voor het overige evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2015.