Uitspraak
gevestigd te Amsterdam,
gevestigd te Thann, Frankrijk,
1.Het arrest in dit geding
2.Beslissing
11 december 2015.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 16 oktober 2015 een arrest gewezen waarin het cassatieberoep van ICL werd verworpen. Na deze uitspraak heeft de advocaat van ICL verzocht om verbetering of aanvulling van het arrest vanwege een vermeende kennelijke fout en het niet behandelen van bepaalde klachten.
De Hoge Raad heeft het verzoek tot verbetering beoordeeld en geoordeeld dat er geen sprake was van een kennelijke fout of verrassingsbeslissing. Wel constateerde de Hoge Raad een omissie doordat bepaalde klachten niet waren behandeld in het oorspronkelijke arrest.
Om die omissie te herstellen, voegde de Hoge Raad een tussengevoegde passage toe waarin wordt gesteld dat de overige klachten van onderdeel 2 niet tot cassatie kunnen leiden en dat hiervoor geen nadere motivering nodig is. Het verzoek tot verdere verbetering werd afgewezen. Deze beslissing werd op 11 december 2015 in een openbaar arrest uitgesproken.
Uitkomst: De Hoge Raad herstelt een omissie in het arrest van 16 oktober 2015 door een tussengevoegde passage toe te voegen en wijst het verzoek tot verdere verbetering af.