ECLI:NL:HR:2015:3599

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 december 2015
Publicatiedatum
16 december 2015
Zaaknummer
15/00942
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21a lid 1 Wet op de vennootschapsbelasting 1969Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen onzakelijke lening bij lening in kader gemeenschappelijk project en toekomstige participatie

Belanghebbende, een fiscale eenheid, had via haar dochtermaatschappij een lening ontvangen van een derde partij, [E], ter financiering van een satellietcommunicatiesysteem in Guinee. De lening werd verstrekt in het kader van een gezamenlijk project waarbij de betrokken partijen elk een derde deel zouden participeren in een op te richten vennootschap die het project zou exploiteren.

De Inspecteur had de vrijval van de schuld aan [E] bij belanghebbende tot de belastbare winst gerekend en stelde dat sprake was van een onzakelijke lening. Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat de lening niet onzakelijk was omdat er geen sprake was van gelieerdheid tussen partijen in de zin van de jurisprudentie over onzakelijke leningen.

De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verduidelijkt dat het aanmerken van een lening als onzakelijk vereist dat de schuldeiser het debiteurenrisico aanvaardt met het oog op het belang van een gelieerde aandeelhouder of dochtervennootschap. Dit was niet het geval bij een lening in het kader van een gemeenschappelijk project met toekomstige participatie in een andere vennootschap. Ook waren er geen persoonlijke betrekkingen die een onzakelijke lening konden rechtvaardigen.

De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en veroordeelt belanghebbende niet in de proceskosten.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de lening niet onzakelijk is.

Uitspraak

18 december 2015
nr. 15/00942
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X] Holding B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 15 januari 2015, nr. 14/00464, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. AWB 13/2260) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2009 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting en de daarbij gegeven beschikking als bedoeld in artikel 21a, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende vormt een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting met onder meer haar dochtervennootschap [B] B.V. (hierna: de dochtermaatschappij). De dochtermaatschappij heeft op 16 december 2007 een overeenkomst gesloten met [D] S.A. (hierna: [D]) en [E] (hierna: [E]), waarin zij de intentie uitspreken om een satellietcommunicatiesysteem in Guinee tot stand te brengen en te exploiteren. De dochtermaatschappij zou de apparatuur verzorgen, [E] de financiering en [D] zou alles lokaal regelen in Guinee. De dochtermaatschappij, [D] en [E] hadden de bedoeling hun samenwerking vorm te geven door ieder voor een derde deel te participeren in een op te richten vennootschap, die vervolgens een vennootschap naar het recht van Guinee zou oprichten. In laatstbedoelde vennootschap zouden de werkzaamheden in Guinee worden ondergebracht.
2.1.2.
Ter financiering van de aanschaf van de hiervoor in 2.1.1 bedoelde apparatuur heeft [E] op 8 februari 2008 een lening ten bedrage van € 150.160 verstrekt aan de dochtermaatschappij. Belanghebbende heeft de apparatuur afgeschreven en afgewaardeerd ten laste van haar belastbare winst. In de overeenkomst van geldlening is onder meer bepaald dat de lening zal worden terugbetaald met gelden die de dochtermaatschappij voor dit doel zal ontvangen van [F], een Guineese vennootschap waarvan [E] enig aandeelhouder en bestuurder was. Als [F] geen betalingen aan de dochtermaatschappij zou doen voor het aflossen van de lening, zou de schuld door [E] worden kwijtgescholden. In de overeenkomst is geen rentepercentage vermeld.
2.1.3.
Op 18 juni 2008 heeft de dochtermaatschappij een bedrag van € 60.000 geleend van [E] onder dezelfde voorwaarden als vermeld in de overeenkomst van geldlening van 8 februari 2008.
2.1.4.
Op 13 september 2012 hebben [E] en de dochtermaatschappij gezamenlijk schriftelijk verklaard dat zij in 2009 zijn overeengekomen dat de samenwerking tussen hen is beëindigd en dat zij niets meer van elkaar hebben te vorderen uit hoofde van de tussen hen gesloten overeenkomsten van geldlening, zodat de dochtermaatschappij geen verplichting meer heeft om de van [E] geleende bedragen terug te betalen en ook geen rente meer verschuldigd is over deze leningen.
2.1.5.
[E] is noch bij belanghebbende, noch bij met belanghebbende verbonden vennootschappen op enige wijze (in)direct als aandeelhouder of bestuurder betrokken geweest.
2.2.
Voor het Hof was in geschil of de Inspecteur terecht de vrijval van het per ultimo 2008 door belanghebbende als schuld aan [E] gepassiveerde bedrag tot de belastbare winst van het jaar 2009 heeft gerekend en meer in het bijzonder of de geldverstrekking door [E] als een onzakelijke lening moet worden aangemerkt. Het Hof heeft de eerste vraag bevestigend beantwoord, de tweede ontkennend. Het Hof heeft daartoe redengevend geacht dat tussen [E] enerzijds en belanghebbende of de dochtermaatschappij anderzijds ten tijde van de geldverstrekking geen sprake was van gelieerdheid in de zin van de jurisprudentie van de Hoge Raad over de onzakelijke lening.
2.3.1.
De middelen bestrijden voormelde oordelen van het Hof en betogen daartoe onder meer – kort weergegeven - dat het Hof de verhoudingen waarbinnen een onzakelijke lening denkbaar is te nauw heeft gedefinieerd.
2.3.2.
De middelen falen in zoverre. Het aanmerken van een geldlening als onzakelijk veronderstelt dat de schuldeiser van die geldlening het debiteurenrisico heeft aanvaard met de bedoeling het belang van een gelieerde persoon te dienen in zijn of haar hoedanigheid van aandeelhouder dan wel dochtervennootschap (vgl. HR 25 november 2011, nr. 08/05323, ECLI:NL:HR:2011:BN3442, BNB 2012/37, onderdeel 3.3.3). Die hoedanigheid van aandeelhouder dan wel dochtervennootschap wordt niet reeds bereikt doordat, zoals in het onderhavige geval, de schuldeiser de lening heeft verstrekt in het kader van een gemeenschappelijk project met de schuldenaar en beiden aandelen zullen gaan houden in een andere vennootschap waarin dat project zal worden ondergebracht. Uit de uitspraak van het Hof of de stukken van het geding blijkt niet van feiten en omstandigheden die de gevolgtrekking kunnen rechtvaardigen dat die hoedanigheid in dit geval wel aanwezig is.
2.3.3.
Behalve in aandeelhoudersrelaties kan tevens sprake zijn van een onzakelijke lening in situaties waarin een debiteurenrisico dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen, wordt aanvaard op grond van persoonlijke betrekkingen tussen natuurlijke personen (vgl. HR 26 september 2014, nr. 13/02261, ECLI:NL:HR:2014:2781, BNB 2015/12). De aanwezigheid van dergelijke persoonlijke betrekkingen tussen [E] en de uiteindelijke aandeelhouder(s) van belanghebbende is echter voor het Hof gesteld noch gebleken.
2.3.4.
Voor zover in de middelen een beroep wordt gedaan op hetgeen in het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2015, nr. 13/05470, ECLI:NL:HR:2015:645, BNB 2015/141, onderdeel 2.3.1, is overwogen ten aanzien van de situatie waarin de lening door een vennootschap niet wordt verstrekt aan de aandeelhouder of een met hem gelieerde partij, falen zij, reeds omdat [E] als natuurlijk persoon geen debiteurenrisico heeft kunnen aanvaarden met de bedoeling het belang van zijn aandeelhouder te dienen.
2.4.
De middelen voor het overige kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C.B. Bavinck als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2015.