Belanghebbende, een fiscale eenheid, had via haar dochtermaatschappij een lening ontvangen van een derde partij, [E], ter financiering van een satellietcommunicatiesysteem in Guinee. De lening werd verstrekt in het kader van een gezamenlijk project waarbij de betrokken partijen elk een derde deel zouden participeren in een op te richten vennootschap die het project zou exploiteren.
De Inspecteur had de vrijval van de schuld aan [E] bij belanghebbende tot de belastbare winst gerekend en stelde dat sprake was van een onzakelijke lening. Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat de lening niet onzakelijk was omdat er geen sprake was van gelieerdheid tussen partijen in de zin van de jurisprudentie over onzakelijke leningen.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verduidelijkt dat het aanmerken van een lening als onzakelijk vereist dat de schuldeiser het debiteurenrisico aanvaardt met het oog op het belang van een gelieerde aandeelhouder of dochtervennootschap. Dit was niet het geval bij een lening in het kader van een gemeenschappelijk project met toekomstige participatie in een andere vennootschap. Ook waren er geen persoonlijke betrekkingen die een onzakelijke lening konden rechtvaardigen.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en veroordeelt belanghebbende niet in de proceskosten.