Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 15 juli 2014, nr. BK‑13/01654, betreffende de afwijzing van het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van schade.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 15 juli 2014, waarin een verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht binnen een termijn van vier weken. Dit griffierecht is niet voldaan.
Na een nadere gelegenheid tot reactie heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de aangevoerde redenen onvoldoende zijn om het verzuim te rechtvaardigen. Daarom is het beroep in cassatie op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet-ontvankelijk verklaard.
De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen en heeft het arrest in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2015.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van griffierecht.