Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
gevestigd te [vestigingsplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
4.Beslissing
6 maart 2015.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of sprake was van bestuurdersaansprakelijkheid en de toepassing van vrijwaring. Het geding in de feitelijke instanties bestond uit meerdere vonnissen van de rechtbank 's-Gravenhage en een arrest van het gerechtshof Den Haag van 28 januari 2014. Tegen dit arrest stelde eiser cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad verwijst naar de eerdere vonnissen en het arrest van het hof, die aan het arrest gehecht zijn. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep op grond van artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RO). De Hoge Raad volgt dit advies en oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en geen rechtsvragen oproepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad wijst het beroep af en veroordeelt eiser in de kosten van het cassatiegeding, die aan de zijde van verweerders nihil worden begroot. Hiermee blijft het arrest van het hof Den Haag ongewijzigd van kracht. De uitspraak bevestigt de toepassing van het criterium van de 'feitelijk bestuurder' en de eisen aan het middel zoals gesteld in artikel 407 RO Pro.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft ongewijzigd.