ECLI:NL:HR:2015:529

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 maart 2015
Publicatiedatum
6 maart 2015
Zaaknummer
14/03456
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 407 Rv
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing cassatie in zaak bestuurdersaansprakelijkheid en vrijwaring

In deze zaak stond de vraag centraal of sprake was van bestuurdersaansprakelijkheid en de toepassing van vrijwaring. Het geding in de feitelijke instanties bestond uit meerdere vonnissen van de rechtbank 's-Gravenhage en een arrest van het gerechtshof Den Haag van 28 januari 2014. Tegen dit arrest stelde eiser cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad verwijst naar de eerdere vonnissen en het arrest van het hof, die aan het arrest gehecht zijn. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep op grond van artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RO). De Hoge Raad volgt dit advies en oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en geen rechtsvragen oproepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad wijst het beroep af en veroordeelt eiser in de kosten van het cassatiegeding, die aan de zijde van verweerders nihil worden begroot. Hiermee blijft het arrest van het hof Den Haag ongewijzigd van kracht. De uitspraak bevestigt de toepassing van het criterium van de 'feitelijk bestuurder' en de eisen aan het middel zoals gesteld in artikel 407 RO Pro.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft ongewijzigd.

Uitspraak

6 maart 2015
Eerste Kamer
14/03456
TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. A.J. Fontijn,
t e g e n
1. [verweerder 1],
wonende te [woonplaats],
2. [verweerster 2],
gevestigd te [vestigingsplaats],
3. [verweerder 3],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerder] c.s.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 292363/HA ZA 07-2374 van de rechtbank 's-Gravenhage van 20 juni 2007, 16 januari 2008, 27 mei 2009 en 27 januari 2010;
b. het arrest in de zaak 200.068.452/01 van het gerechtshof Den Haag van 28 januari 2014.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en het herstelexploot zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Tegen [verweerder] c.s. is verstek verleend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het cassatieberoep, met toepassing van art 81, lid 1 Ro.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
6 maart 2015.