Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
13 maart 2015.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om een geschil tussen ouders over het gezag, de omgang en verblijfplaats van hun minderjarige zoon. Na een langdurig conflict en verdenkingen van mishandeling en seksueel misbruik door de vader, werd een deskundigenonderzoek uitgevoerd door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP).
De rechtbank kende het eenhoofdige gezag toe aan de vader en bepaalde het hoofdverblijf van de zoon bij hem. De moeder betwistte de conclusies van het NIFP-rapport en verzocht om inzage in de onderliggende ruwe test- en onderzoeksgegevens voor een second opinion. Het hof bekrachtigde het vonnis en wees dit verzoek af, stellende dat de onderzoeksresultaten consistent en concludent waren en dat er onvoldoende objectieve aanwijzingen waren voor mishandeling of misbruik.
De Hoge Raad overwoog dat het recht op hoor en wederhoor en het beginsel van equality of arms niet vereisen dat een partij altijd inzage krijgt in alle onderliggende gegevens van een deskundigenbericht. Het volstaat dat partijen effectief commentaar kunnen leveren op het deskundigenbericht zelf. De moeder had niet voldoende onderbouwd waarom inzage noodzakelijk was voor effectief commentaar. Daarom werd het cassatieberoep verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt het oordeel dat geen inzage in ruwe onderzoeksgegevens wordt verleend.