Conclusie
1.Feiten en procesverloop
family lifeontstaan in de zin van art. 8 EVRM Pro (rov. 3.7.5 Rb). De rechtbank heeft het verzoek inhoudelijk beoordeeld. De rechtbank was van oordeel dat het vaststellen van een regeling voor omgang tussen de man en [kind 2] in strijd is met zwaarwegende belangen van [kind 2]; zij heeft dit oordeel gemotiveerd in rov. 3.7.7. In het dictum heeft de rechtbank bepaald dat aan de man het recht op omgang met [kind 2] wordt ontzegd. De rechtbank heeft alle verzoeken van de man met betrekking tot [kind 2] afgewezen.
family lifetussen partijen en elk van beide minderjarigen en ook tussen [kind 2] en [kind 1] onderling (rov. 3.7). Het hof heeft op de voet van art. 1:250 BW Pro de orthopedagoog mw. drs. L. Klaver (Mediation House te Boxtel) benoemd tot bijzonder curator van beide minderjarigen, met een relatief uitvoerige taakomschrijving en bijzondere instructies (met name voor de communicatie tussen partijen, de kinderen en de bijzondere curator) in rov. 3.8 – 3.14. Bij afzonderlijke beschikking van diezelfde datum (18 juni 2015) heeft het hof een verzoek van de man tot schorsing van de werking van de beschikking van 17 februari 2015 afgewezen.
beideminderjarigen – dus ook [kind 2] – naar SCJ verwezen. Hieraan is een mondelinge behandeling op 16 juli 2015 voorafgegaan. Het hof heeft bepaald dat in het kader van Intensieve Omgangsbegeleiding tot contact, respectievelijk tot omgang, met elkaar gerechtigd zijn: de vrouw en [kind 1]; de man en [kind 2]; [kind 1] en [kind 2] onderling. Het hof voegde, in het dictum, hieraan toe dat de verdere invulling zal geschieden op basis van de instructies van SCJ in haar hoedanigheid van uitvoerster van genoemd project, en met inachtneming van de in rov. 7.4 door het hof vermelde voorwaarden. Het hof heeft partijen gelast gevolg te geven aan de oproep van SCJ en mee te werken aan de uitvoering van de verwijzing en daarmee beoogde doelen. Het hof verzocht SCJ rapport uit te brengen over het verloop van de begeleide omgang c.q. het begeleid contact. Het hof schorste de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad t.a.v. de door de rechtbank opgelegde dwangsomsanctie. Het hof schorste ook de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beslissing over het recht van de man op omgang met [kind 2], ten aanzien van de omgangsmomenten in het kader van de verwijzing naar SCJ.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 2.1.1naar bepaalde passages in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 16 juli 2015 en bepaalde overwegingen van het hof, om vervolgens te concluderen dat de voorwaarden waaronder een tijdelijke omgangsregeling zou worden opgelegd op 16 juli 2015 noch voor de man, noch voor de vrouw bekend waren. Volgens
subonderdeel 2.1.2mag een eventuele misinterpretatie van de voorwaarden niet aan de man worden tegengeworpen, juist vanwege het ontbreken van een op voorhand tot in alle details besproken regeling. Onbegrijpelijk is dan ook dat het hof in de eindbeschikking tot het oordeel is gekomen dat de man nadere voorwaarden heeft gesteld aan de omgangsbemiddeling door SCJ. In
subonderdeel 2.1.3zet de man uiteen dat hij onaangenaam werd verrast door de rol die SCJ in het eerste gesprek wilde toebedelen aan de gezinsvoogdes (de William Schrikker Stichting) en dat zijn advocaat daarom (in de brief van 31 juli 2015) het hof heeft verzocht nadere instructies te geven. Ten onrechte heeft het hof dit uitgelegd alsof de man nadere voorwaarden wilde stellen aan de omgangsbemiddeling: hij wenste slechts nakoming van de door het hof geformuleerde voorwaarden. Volgens
subonderdeel 2.1.4kan − gelet op hetgeen het hof had bepaald in rov. 7.4 van de tussenbeschikking van 23 juli 2015 (5e gedachtestreepje), dat de man uitlegt in die zin dat SCJ niet bevoegd was andere voorwaarden te stellen dan die, welke nodig zijn voor een redelijke uitvoering van de aan SCJ verstrekte opdracht − aan de man niet een verwijt ervan worden gemaakt dat hij bezwaar maakte tegen de aanwezigheid van de gezinsvoogdes bij het eerste gesprek bij CSJ en tegen het verstrekken van informatie door SCJ aan de Raad voor de Kinderbescherming. Tot zover de klachten.
subonderdelen 2.2.1 - 2.2.4monden uit in de klacht dat het hof blijkens zijn brief van 7 augustus 2015 en in afwijking van hetgeen de man op grond van de tussenbeschikking mocht verwachten (zie alinea 1.10 hiervoor), het verslag van SCJ aan de man heeft toegezonden zonder hem gelegenheid te geven om inhoudelijk op dat rapport te reageren. Evenmin heeft het hof aan de man gelegenheid gegeven om te reageren op de reactie van de vrouw en van de overige belanghebbenden op dat rapport. Volgens de klacht heeft het hof hiermee het in art. 6 EVRM Pro en art. 19 Rv Pro vervatte beginsel van hoor en wederhoor miskend. Dit klemt temeer, daar de andere partijen in appel wel op dat verslag hebben mogen reageren. Verzoeken van de zijde van man om alsnog te mogen reageren zijn door het hof geweigerd. Het aanmerken van een stuk van de man (bedoeld is: de brief van zijn advocaat aan het hof d.d. 31 juli 2015, noot A-G), dat niet was bedoeld als een (inhoudelijke) reactie op het rapport, is volgens de klacht evenzeer in strijd met art. 6 EVRM Pro en/of art. 19 Rv Pro, en in strijd met art. 24 en Pro 149 Rv. In
subonderdeel 2.2.5stelt de man dat het slagen van (een van) de voorgaande klachten de kracht ontneemt aan de oordelen in rov. 12.3 - 16 van de eindbeschikking.
Subonderdeel 2.3.1bouwt voort op het eventueel slagen van onderdeel 2.1 en/of 2.2.
Subonderdeel 2.3.2bestrijdt als onbegrijpelijk de vaststelling dat de man nadere eisen of voorwaarden heeft gesteld: volgens de man was in de voorwaarden, zoals bepaald bij beschikking van 23 juli 2015, nergens een taak weggelegd voor de gezinsvoogdes (de William Schrikker Stichting), noch was iets bepaald over verslag door SCJ aan de Raad voor de Kinderbescherming. Volgens de man is ook niet gesteld dat het bijwonen door de gezinsvoogdes of verslaggeving aan de Raad gedurende het omgangsbemiddelingstraject redelijkerwijs noodzakelijk was voor SCJ. Volgens
subonderdeel 2.3.3-
2.3.4heeft het hof miskend dat de omgang in de eerdere periode, maart-mei 2015, geen doorgang heeft kunnen vinden buiten schuld van de man, omdat dit toen niet uitvoerbaar was en heeft het hof zijn oordeel dat de man door het stellen van nadere voorwaarden de samenwerking met SCJ heeft geblokkeerd eveneens gebaseerd op de rapportage van SCJ waarop de man niet heeft kunnen reageren. Voor zover het hof zijn oordeel heeft gebaseerd rechtstreeks op de inhoud van de bijgevoegde e-mails, is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen getreden; dit geldt volgens
subonderdeel 2.3.5ook voor het oordeel dat de man als extra voorwaarde stelt dat SCJ niets aan de Raad voor de Kinderbescherming mag rapporteren. Tot zover de klachten.
Subonderdeel 2.4.1klaagt dat de man in de periode 26 juni - 6 juli 2015 e-mails heeft verzonden aan de bijzondere curator en dat het in die periode (nog) niet tot een afspraak is gekomen, zodat het oordeel van het hof dat de man aan de Raad voor de kinderbescherming en aan de bijzondere curator de toegang tot [kind 1] zou hebben ontzegd onbegrijpelijk is. Dit geldt temeer, nu de Raad voor de Kinderbescherming in die periode in het geheel niet in beeld was. De enkele omstandigheid dat de bijzondere curator niet is toegekomen aan een gesprek met [kind 1], maakt niet dat de bijzondere curator in deze appelprocedure [kind 1] niet zou hebben kunnen vertegenwoordigen. Bovendien heeft de bijzondere curator een ‘tussenrapport’ uitgebracht aan het hof, zodat het oordeel van het hof dat de bijzondere curator als gevolg van het handelen van de man niet heeft kunnen adviseren over de belangen van de minderjarige onbegrijpelijk is. Voor de bijzondere curator was, volgens de klacht, kennelijk niet duidelijk dat zij ook een taak had in het vertegenwoordigen van de minderjarige kinderen
ter zitting van het hof. Daarom is onbegrijpelijk dat het hof tot het oordeel is gekomen dat de man een behoorlijke vertegenwoordiging van de beide minderjarigen heeft geblokkeerd en dat de bijzondere curator door toedoen van de man [kind 1] niet heeft kunnen vertegenwoordigen. Ten slotte acht de man onbegrijpelijk dat, en waarom, het hof thans weer (wel) een rol weggelegd ziet voor de OTS en de gezinsvoogdes.
Subonderdeel 2.4.3noemt in dat verband ook onbegrijpelijk dat het hof ook de opdracht van de bijzondere curator om [kind 2] te vertegenwoordigen heeft beëindigd: dat het, binnen het korte tijdsbestek, niet is kunnen komen tot een gesprek tussen de bijzondere curator en de man en [kind 1], rechtvaardigt volgens
subonderdeel 2.4.4niet de gevolgtrekking dat de man daarmee ‘zijn verplichtingen uit de beschikkingen van de rechtbank en hof verzaakte’. De man heeft volgens
subonderdeel 2.4.5 – 2.4.6niet geweigerd mee te werken aan de werkzaamheden van de bijzondere curator, maar is de dialoog aangegaan. Het ging om een ‘tussenrapport’, waaruit volgt dat, ook naar de mening van de bijzondere curator, na het uitbrengen daarvan nog een rol voor haar was weggelegd in de procedure. Voor een adequate vertegenwoordiging van de minderjarigen door de bijzondere curator was, anders dan het hof heeft overwogen, van belang dat zij de beschikking zou krijgen over het complete procesdossier; niet slechts de door het hof daaruit geselecteerde stukken. In dit verband wijst het middelonderdeel op het in art. 8 EVRM Pro gewaarborgde recht op eerbiediging van
family lifeen op een in het rapport door de bijzondere curator gedane uitlating over de man, zonder dat de bijzondere curator de man heeft gesproken. Zulke stellingen van een belanghebbende, die gemotiveerd door de man zijn betwist, had het hof niet zonder meer als vaststaand mogen aanmerken en dus ook niet aan zijn beslissing ten grondslag mogen leggen. Het feit dat de man heeft getracht waarborgen in te bouwen ten aanzien van de vraagstelling en de kwaliteit van het aan de bijzondere curator verstrekte dossier, mag daarom niet tot zo ver gaande consequenties leiden als het hof daaraan heeft verbonden, te weten: dat hem nu algehele weigerachtigheid wordt verweten en dat hij de werkzaamheden van de bijzondere curator heeft geblokkeerd. Ten slotte is, volgens
subonderdeel 2.4.7,onbegrijpelijk de slotsom van het hof dat de man hiermee [kind 1] in een geïsoleerde positie brengt: de vertegenwoordiging ten processe van [kind 1] staat los daarvan. Tot zover, samengevat, de klachten.
2.5.1 - 2.5.2stelt de man voorop dat het hof in zijn tussenbeschikking van 18 juni 2015 had overwogen dat een recht op omgang bestaat tussen [kind 2] en de man. Op grond van deze ‘bindende eindbeslissing’ heeft de man in beginsel recht op omgang met [kind 2] en, omgekeerd, heeft [kind 2] recht op omgang met de man [13] . Zijn klacht houdt in dat het hof in de beschikking van 20 augustus 2015 heeft miskend dat de man een recht heeft met betrekking tot de omgang met [kind 2] (en andersom) en dat dit recht hem slechts kan worden ontzegd op (een van) de in art. 377a lid 3 BW limitatief opgenomen gronden. Subsidiair klaagt de man dat het hof geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang. Het middelonderdeel splitst vervolgens de redengeving in rov. 12.4.1 in acht gedeelten, die de man stuk voor stuk bestrijdt. In
subonderdeel 2.5.3somt de man enkele omstandigheden op die het hof, zijns inziens, ten onrechte niet heeft meegewogen bij de ontzegging van de omgang met [kind 2]. Hij voert aan dat alle omstandigheden van het geval in aanmerking moeten worden genomen. Daartoe rekent de man ook de omstandigheid dat, kort gezegd, de vrouw degene is geweest die omgang tussen de man en [kind 2] al bijna drie jaar heeft verhinderd. Tot zover de klachten.
subonderdeel 2.6.1noemt de man verscheidene, in dit geding naar voren gebrachte stellingen, waaruit volgens hem – en anders dan het hof heeft overwogen − voldoende concreet volgt dat er reden is te vrezen dat de vrouw met [kind 1] naar het buitenland zal vertrekken om niet meer in Nederland terug te keren, althans om [kind 1] aan het mede-gezag van de man te onttrekken. Volgens de klacht zijn deze stellingen van de man niet (inhoudelijk) door de vrouw betwist, zodat zij vaststaan: het andersluidende oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste toepassing van art. 149 Rv Pro, althans is ontoereikend gemotiveerd. Volgens
subonderdeel 2.6.2heeft het hof dan ook ten onrechte de door de rechtbank getroffen regeling bekrachtigd en de dwangsomsanctie ten laste van de man in stand gelaten en zelfs nog uitgebreid. De man klaagt over het onbesproken laten van grief IV-c (ten onrechte stelt de rechtbank een nieuwe onveilige, voor de gezinsvoogd onuitvoerbare contactregeling vast), door niet mee te wegen dat omgang alleen ‘achter slot en grendel’ kan plaatsvinden.
subonderdeel 2.7.2heeft het hof uit het oog verloren dat de vrouw met de man heeft afgesproken dat de gewone verblijfplaats van [kind 1] bij de man zou zijn. Daar mag de vrouw aan worden gehouden. De daaropvolgende gebeurtenissen maken niet dat een afweging alsnog van alle belangen zou moeten plaatsvinden. Behoudens een korte onderbreking (van 17 december 2012 - 28 februari 2013) heeft [kind 1] steeds bij de man verbleven. Uitsluitend op grond van zwaarwegende belangen van [kind 1], die volgens de man niet zijn gebleken, kan daarin verandering worden gebracht.
Subonderdeel 2.7.3acht de motivering van de afwijzing van het verzoek van de man om de onderzoeksopdracht aan de Raad voor de Kinderbescherming te wijzigen, niet een adequate reactie op grief VIII. In deze grief had de man geklaagd dat de rechtbank geen (specifieke, op de zaak toegespitste) opdracht aan de Raad had gegeven met betrekking tot een onderzoek voor beide kinderen en ten onrechte het verzoek van de man om zo’n onderzoek had afgewezen: uit het tussenrapport van de bijzondere curator volgt volgens de man dat [kind 2] zelf omgang met hem wenst. Ook heeft het hof miskend dat het verzoek van de man om een contra-expertise als bedoeld in art. 810a Rv niet slechts zag op [kind 1], maar ook op [kind 2], alsmede op de omgangszaak en de ondertoezichtstelling. Tot zover de klachten.
Subonderdeel 2.8.1stelt dat het slagen van een of meer van de voorgaande klachten meebrengt dat de proceskostenveroordeling niet in stand kan blijven.
Subonderdeel 2.8.2stelt voorop dat vanwege het familierechtelijk karakter in procedures als onderhavige de proceskosten doorgaans worden gecompenseerd, tenzij sprake is van misbruik van procesrecht. Daarvan is volgens
subonderdeel 2.8.3geen sprake.
Subonderdeel 2.8.4mondt uit in de klacht dat indien het hof de man in de proceskosten heeft veroordeeld in verband met het rapport van SCJ waarover de man zich niet heeft kunnen uitlaten, het hof miskent dat de man eerst in de gelegenheid had moeten worden gesteld zich over dat rapport uit te laten.