In deze zaak staat centraal de vaststelling van de schadeloosstelling bij onteigening van grond door de gemeente Beuningen, waarbij de aanwezigheid van winbare delfstoffen een rol speelt. De deskundigen brachten meerdere rapporten uit waarin zij de waarde van de grond en de meerwaarde door zandwinning bepaalden. De gemeente stelde cassatieberoep in tegen tussenvonnissen en het eindvonnis, waarbij onder meer werd geklaagd over schending van het beginsel van hoor en wederhoor en de waardering van de meerwaarde.
De Hoge Raad stelt vast dat deskundigen, anders dan bindend adviseurs, geen beslissing nemen maar slechts een advies geven aan de rechter. Het beginsel van hoor en wederhoor vereist dat partijen effectief commentaar kunnen leveren op deskundigenberichten, maar niet dat zij alle onderliggende gegevens moeten ontvangen. De klachten over het ontbreken van hoor en wederhoor falen omdat de gemeente niet heeft gesteld dat het rapport onvoldoende inzichtelijk was.
Verder bevestigt de Hoge Raad dat de onteigeningsrechter vrij is in de keuze van waarderingsmethode. De rechtbank heeft de meerwaarde van de delfstoffen vastgesteld door een combinatie van vergelijking met referentietransacties en een exploitatiebegroting. De verdeling van het voordeel wijkt af van de standaard 50/50 regeling vanwege de risico's en onzekerheden bij de winning. De Hoge Raad verwerpt de klachten en verklaart de gemeente niet-ontvankelijk voor het cassatieberoep tegen tussenvonnissen, wijst het beroep verder af en veroordeelt partijen in de proceskosten.