Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2016:1000

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 mei 2016
Publicatiedatum
27 mei 2016
Zaaknummer
16/00631
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 285 lid 1 onder f FwArt. 288 lid 1 onder b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep in WSNP-zaak wegens gebrek aan belang

In deze zaak hebben verzoekers cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een WSNP-procedure. De Procureur-Generaal heeft gepleit voor niet-ontvankelijkverklaring op grond van artikel 80a lid 1 RO. De Hoge Raad overweegt dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat verzoekers klaarblijkelijk onvoldoende belang hebben bij het cassatieberoep dan wel de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad verwijst naar de eerdere vonnissen van de rechtbank Midden-Nederland en het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, welke aan het arrest zijn gehecht. Gezien de wettelijke bepalingen en het standpunt van de Procureur-Generaal besluit de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.

De uitspraak betreft een toepassing van artikel 80a lid 1 RO in het kader van de WSNP en benadrukt het belang van voldoende belang bij cassatie. De Hoge Raad spreekt het arrest uit in aanwezigheid van drie raadsheren, waarbij de voorzitter en de andere leden de beslissing gezamenlijk nemen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en gebrek aan cassatiegronden.

Uitspraak

27 mei 2016
Eerste Kamer
16/00631
LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [verzoeker 1],
2. [verzoekster 2],
beiden wonende te [woonplaats],
VERZOEKERS tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
Verzoekers zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoekers].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaken C/16/399591/FT RK 15/1904 en C/16/402105/FT RK 15/2190 van de rechtbank Midden-Nederland van 28 oktober 2015;
b. het arrest in de zaken 200.179.719 en 200.179.685 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 januari 2016.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [verzoekers] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 80a lid 1 RO.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 4-6).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
27 mei 2016.