Conclusie
Ten slotte heeft de rechtbank zowel ten aanzien van [verzoeker 1] als ten aanzien van [verzoekster 2] overwogen dat van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verzoek desondanks zou moeten worden toegewezen, onvoldoende is gebleken.
Omdat [verzoekers] niet hebben voldaan aan de verplichting van artikel 285 lid 1 aanhef Pro en onder f Fw, zijn zij niet ontvankelijkheid in hun verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Omdat deze niet-ontvankelijkheid gelijk staat met een afwijzing van het verzoek, betekent dit reeds dat de vonnissen moeten worden bekrachtigd.”
In de derde plaats overweegt het hof (rov. 3.11) dat de door [verzoekers] aangevoerde omstandigheden voor het hof geen aanleiding hebben gevormd om toepassing te geven aan de hardheidsclausule van art. 288 lid 3 Fw Pro.
Onderdeel 1is gericht tegen de overweging die hiervoor onder punt 2 is geciteerd. Volgens het middelonderdeel miskent het hof hiermee hetgeen is beslist in HR 13 maart 2015. [1] Volgens het middelonderdeel had het hof [verzoekers] een termijn van ten hoogste een maand moeten gunnen om alsnog de verklaring van art. 285 lid Pro 1, aanhef en onder f, Fw te (laten) verstrekken. Voorts wijst het middelonderdeel erop dat de rechtbank het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wel ontvankelijk heeft geacht, maar het verzoek heeft afgewezen. Ten onrechte stelt het hof niet-ontvankelijkheid van het verzoek gelijk met bekrachtiging van de afwijzing.