Conclusie
Onderdeel 1: beredeneerde verklaring bij omzettingsverzoek
Lid 2 van artikel 15b Fw bepaalt dat de schuldenaar zijn omzettingsverzoek moet indienen met een verzoekschrift als bedoeld in artikel 284 Fw Pro. Op het verzoekschrift en de daartoe bij te voegen bijlagen is titel III van de Faillissementswet van toepassing (de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen). [7]
In het aanvankelijke wetsvoorstel voor de introductie van de wettelijke schuldsaneringsregeling (van december 1992) werd van de schuldenaar niet verlangd dat hij eerst een poging had ondernomen om met zijn schuldeisers tot een minnelijke regeling te komen. Volgens de MvT zou overleg over een eventuele minnelijke regeling beter kunnen plaatsvinden op het moment dat de schuldenaar beschermd wordt door het moratorium dat zou gelden tijdens de (voorlopig verleende) toepassing van de schuldsaneringsregeling. [8] Bij de introductie van de wettelijke regeling op 1 december 1998 zijn de voorwaarden voor toelating tot de schuldsaneringsregeling echter al aangescherpt en werd alsnog de eis gesteld dat de schuldenaar vóór de indiening van zijn toelatingsverzoek een minnelijke oplossing had beproefd. [9] Hiermee wilde men mede bewerkstelligen dat de schuldenaar een gemeentelijke kredietbank inschakelde voordat er een beroep op de schuldsaneringsregeling kon worden gedaan.
dat de curator heeft onderzocht of de gefailleerde een akkoord in de zin van art. 138 Fw Pro kan aanbieden(een faillissementsakkoord dus)
endat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen(een minnelijk akkoord). Het gaat echter om twee verschillende dingen. Het faillissementsakkoord is een gerechtelijk (dwang)akkoord en bindt slechts de concurrente schuldeisers. Een buitengerechtelijke (minnelijke) schuldenregeling daarentegen is een door boek 6 BW beheerste overeenkomst, die de bij de overeenkomst betrokken partijen bindt, waartoe ook bevoorrechte schuldeisers kunnen behoren. Met de bedoelde overweging lijkt gesuggereerd te worden dat
beidemogelijkheden moeten worden onderzocht, maar een buitengerechtelijke schuldenregeling is nu juist niet meer mogelijk in een faillissementssituatie. Verstijlen gaat er daarom vanuit dat de Hoge Raad heeft bedoeld dat de verklaring van de curator ziet op de (on)mogelijkheid een faillissementsakkoord tot stand te brengen, al dan niet gekoppeld aan een overeenkomst met de bevoorrechte schuldenaren.
Verstijlen is verder van mening dat de omweg van de verklaring van de curator ‘gekunsteld en betrekkelijk zinloos’ is. Hij stelt (evenals A-G Timmerman in zijn conclusie vóór het arrest) dat niets erop wijst dat de wetgever heeft gedacht aan de gevolgen van het toevoegen van het vereiste van de beredeneerde verklaring voor de toepassing van artikel 15b Fw. Volgens hem past de eis van een onderzoek naar een gerechtelijk faillissementsakkoord niet binnen de omzettingsprocedure, omdat zo’n akkoord juist vanuit een formele faillissementssituatie wordt gesloten. Als instrument om te bevorderen dat de schuldenaar ‘klaar is’ voor de schuldsaneringsregeling kan het faillissementsakkoord bovendien niet de plaats van de buitengerechtelijke schuldregeling innemen, omdat de Hoge Raad niet als vereiste stelt dat zo’n akkoord daadwerkelijk wordt aangeboden. Volgens Verstijlen is het van tweeën één: een faillissementsakkoord behoort tot de mogelijkheden of niet. In het eerste geval is er geen zinvolle reden waarom hetzelfde akkoord niet vanuit de schuldsaneringsregeling kan worden aangeboden. In het tweede geval dient de schuldenaar, mits aan de overige voorwaarden is voldaan, toegang te krijgen tot de schuldsaneringsregeling.
Ook Spinath is van mening dat onduidelijk is of de Hoge Raad bedoeld heeft dat de curator (cumulatief) moet onderzoeken of, indien een faillissementsakkoord zou zijn aangeboden, dit zou zijn gehomologeerd, én of een buitengerechtelijke schuldenregeling tot de mogelijkheden had behoord, indien wordt geabstraheerd van het faillissement. [14] Hij vraagt zich af of het onderzoek van de curator zich niet zou kunnen beperken tot het aanwezige actief. Ten slotte is ook De Groot van mening dat volstaan kan worden met een verklaring van de curator dat de boedel (vrijwel) leeg is en dat er daarom geen reële mogelijkheden zijn om een akkoord aan te bieden aan de schuldeisers. [15]
alleschuldeisers is gedaan en (ii) er geen sprake is van een met (voldoende) redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldenregeling te komen (rov. 3.6.3).
nietdat in twijfel wordt getrokken de juistheid van de verklaring van de curator, dat er geen mogelijkheden zijn om aan de gezamenlijke schuldeisers een akkoord in de zin van artikel 138 Fw Pro aan te bieden. Kennelijk wenst het hof daarnaast nog een verklaring dat een buitengerechtelijke schuldenregeling niet tot de mogelijkheden behoort en acht het hetgeen daarover is verklaard door de curator, onvoldoende. Echter, in de verklaring van de curator dat er geen mogelijkheden zijn om de gezamenlijke schuldeisers een akkoord ex artikel 138 Fw Pro aan te bieden, ligt besloten dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldenregeling te komen. Door de curator is dit ook met zoveel woorden gesteld in zijn verklaring. Zoals gezegd is het doorlopen van een minnelijk traject en het bereiken van een buitengerechtelijke schuldenregeling niet meer mogelijk als het faillissement eenmaal is uitgesproken. De curator kan zich derhalve hooguit afvragen of er mogelijkheden zouden zijn geweest om tot een buitengerechtelijke schuldenregeling te komen
indien er geen faillissement was geweest. Dit is een hypothetische vraag, die de curator in zijn brief in ontkennende zin heeft beantwoord. Bij deze hypothetische vraagstelling past niet dat als eis wordt gesteld dat een concreet bod aan alle schuldeisers is gedaan. Het daadwerkelijk doen van zo’n concreet bod is ook zinloos omdat in een faillissementssituatie geen buitengerechtelijke schuldenregeling meer
kanworden getroffen.
Ik merk nog op dat ter zitting in hoger beroep namens de curator is verklaard dat contact is opgenomen met de grootste hypotheekverstrekker (dat zal ABN AMRO zijn geweest, met een vordering op [verzoekster] van € 484.749,61) en dat niet positief gereageerd werd op het aanbieden van een bepaald percentage. [19] Daarmee is inderdaad niet in te zien dat een faillissementsakkoord (of, hypothetisch beschouwd, een buitengerechtelijke schuldenregeling) een reële mogelijkheid is.
Onderdeel 2: devolutieve werking
Onderdeel 3: onvolledig verzoek
De eerste subklacht van het onderdeel slaagt derhalve.
* Het gaat in deze zaak niet om een regulier verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, maar om een omzettingsverzoek. Bij een omzettingsverzoek is door de schuldenaar niet de reguliere weg bewandeld langs de gemeentelijke schuldhulpverlening, waardoor niet alleen het minnelijk traject niet is onderzocht, maar ook geen handreikingen zijn gedaan aan de schuldenaar om hem te ondersteunen bij het indienen van een compleet en juist toelatingsverzoek. Zoals bekend wordt er in de gemeentelijke schuldhulpverlening gewerkt met verschillende standaardformulieren die door een hulpverlener worden ingevuld en vervolgens door de schuldenaar alleen nog hoeven te worden ondertekend. Enige hulp bij het invullen van de formulieren is geen overbodige luxe, want de Wsnp-toelating is een complex traject. [26] [verzoekster] heeft deze ondersteuning niet gekregen en haar dossier bevat dan ook niet de gebruikelijke formulieren in de gebruikelijke opmaak.