Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beoordeling van het derde middel
5.Slotsom
6.Beslissing
26 januari 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin de omzetting van een voorwaardelijke jeugddetentie van zes maanden in een gevangenisstraf werd gelast. Het Hof had geoordeeld dat de verdachte, inmiddels meerderjarig, niet meer in aanmerking kwam voor jeugddetentie en daarom de straf als gevangenisstraf moest worden uitgevoerd.
De Hoge Raad oordeelt dat sinds de inwerkingtreding van art. 77dd, derde lid, Sr op 1 februari 2008 geen vordering meer vereist is voor de omzetting van voorwaardelijke jeugddetentie in gevangenisstraf. De klacht dat het Hof niet bevoegd was deze omzetting bij last te bepalen, wordt verworpen. Ook is het Hof niet gehouden om zijn beslissing uitgebreider te motiveren, aangezien er geen aanwijzingen waren dat de verdachte ondanks meerderjarigheid alsnog voor jeugddetentie in aanmerking kwam.
Daarnaast is geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro is overschreden door vertraging in de cassatiefase. Dit leidt tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van dertig maanden naar achtentwintig maanden.
De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest uitsluitend voor zover het de duur van de gevangenisstraf betreft, vermindert deze tot 28 maanden en verwerpt het beroep voor het overige.
Uitkomst: De opgelegde gevangenisstraf wordt verminderd tot 28 maanden en de omzetting van voorwaardelijke jeugddetentie in gevangenisstraf is rechtsgeldig.